|
Thuis hebben we altijd fototoestellen gehad. Mijn ouders hadden eerst een instamatic (formaat 126), mijn vader heeft dan later een compact-toestel gekocht (formaat 135) en is die blijven gebruiken tot in de jaren '90. Mijn moeder heeft alle formaten uitgeprobeerd: 110 (pocket instamatic) en disc. In die tijd kreeg je een fototoestel bij de aankoop van 10 kg waspoeder. Het inscannen negatieven en dia's lees je hier (met voorbeelden).
De filmformaten die hier besproken worden worden door de beroepsfotografen als "amateurformaten" aangezien (zelfs het 135-formaat). Het 135-formaat heeft niet voor niets de benaming "kleinbeeld" gekregen. Beroepsfotografen zijn gewoon te werken met het middenformaat. De beeldkwaliteit van een digitaal fototoestel vergelijken met die van het kleinbeeldformaat gaat niet op. Het kleinbeeldformaat is geen kwaliteitsreferentie. |
135 - kleinbeeld
Dit formaat ontstond in 1934 en is sindsdien "de referentie", in zovere dat zelfs bij digitale reflextoestellen men refereert naar dit formaat bij het bepalen van de sensorgrootte. De meeste fototoestellen werden voor dit formaat gemaakt, en dit formaat heeft ook de meeste soorten pellicule: kleurnegatief, zwart/wit negatief, diapositief en speciale films (gevoelig voor infra rood)
Het kleinbeeldformaat werd reeds vroeger gebruikt (men had voldoende basismateriaal ter beschikking, namelijk cinemafilm). De fotograaf moest toen een welbepaalde filmlengte in zijn fototoestel oprollen (in het volkomen duister). Pas in 1934 werd de film in een cartridge beschikbaar zodat het laden in gedempt licht kon gebeuren, en dit werd het begin van een succesverhaal. Dit filmformaat produceert de beste resultaten (wat betreft amateur-fotografie) omdat de gevoelige oppervlakte voldoende groot is (24 × 36mm). Film wordt algemeen gekenmerkt door een hoge dynamiek (film kan zowel zeer heldere beeldelementen en donkere beeldelementen correct weergeven) en bijhorende hoge belichtingslatitude (men kan een aanvaardbare foto maken van een film dat onderbelicht of overbelicht is). De korrelgrootte is beperkt zodat afdrukken op A4-formaat geen problemen vormen.
|
126 - instamatic
Na de oorlog is het 126-formaat op de markt gekomen (1963). Een verbetering was het gebruik van de filmcassette zodat iedereen (zelfs vrouwen) een fototoestel kon gebruiken. Het 126-formaat werd daarom ook het vrouwenformaat genoemd. Dat vrouwen het voor het zeggen hebben bewijst het feit dat bij alle volgende formaten die op de markt gebracht werden men een filmcassette gebruikte. Mannen bleven hun 135-toestel trouw, terwijl vrouwen een alsmaar kleiner en minder performant formaat kozen.
Dit formaat gebruikte dezelfde film als het 135 formaat, maar met slechts perforaties aan één kant (en één perforatie per foto). De foto's waren vierkantig (28 × 28 mm, waarvan er 26.5 × 26.5mm gebruikt werd bij de ontwikkeling). Hoewel de filmkwaliteit uitstekend was, waren de gebruikte fototoestellen (de bekende Instamatic) van mindere kwaliteit: dit was duidelijk de onderkant van de markt. Bij het ontwerp van het systeem was de bedoeling de fototoestellen zo goedkoop mogelijk te produceren om mensen aan te zetten een fototoestel te kopen. In die tijd van relatieve schaarste kocht men niet het duurste (cfr. de iPod dat veel te duur is in vergelijking met een naamloze mp-3 player), maar het goedkoopste.
Het 126 formaat had heelwat technische pluspunten: een grote filmoppervlakte en een relatief kleine lichtconus vanwege het vierkantig formaat. Professionele toestellen die het medium-formaat gebruiken (120 film formaat) produceren ook vierkantige beelden (de negatieven zijn 60 × 60mm). Het 120 film formaat was trouwens één van de eerste commercieele film formaten voor amateurgebruik (op de markt gebracht begin van vorige eeuw). Nadien werd zijn rol (zowel in figuurlijke als in letterlijke zin!) overgenomen door het 135 formaat en is het 120 formaat verschoven naar de professionele markt. |
110 - pocket instamatic
Het 110-formaat is een klein formaat (Pocket Instamatic) dat negatieven van 13 × 17mm gebruikt. De kwaliteit van de toestellen is nog slechter dan bij het instamatic formaat en de geproduceerde foto's konden eigenlijk niet groter uitgeprint worden dan het toen bekende 9 × 13 cm-formaat. Het is een doorgedreven evolutie van het concept: “You push the button, we do the rest”. Naast de ontspanderknop had een Pocket Instamatic slechts één knop om de film vooruit te wikkelen, en soms een knop zon/schaduw. Dit formaat ontstond in 1972. Lange tijd waren de 135-126-110 de meest verkochte filmformaten.
Zowel het 126 als het 110 formaat gebruiken één perforatie per foto en juist vòòr het ontwikkelen wordt een zwarte strook belicht tussen de foto's. Bij alle Instamatic fototoestellen horen de bekende flashcubes met 4 in plastiek afgeschermde flitslampen. Een hele verbetering ten opzichte van de individuele magnesiumlampen die door de beroepsfotografen gebruikt werden. In de flitslamp wordt fijn magnesium en aluminiumdraad verbrand in een zuivere zuurstof omgeving. |
disc
Maar het kan nog slechter: het diskformaat werd in 1982 in het leven geroepen. De negatieven waren 8 × 11mm groot. Door gebruik te maken van speciale emulsies was het resultaat eigenlijk redelijk goed (het disc-formaat kreeg de primeur van de nieuwe emulsies). Het probleem situeerde zich bij de ontwikkeling: bij de belichting moest men een door Kodak gepatenteerd lenzensysteem gebruiken. De meeste ontwikkelcentrales gebruikten echter een minder dan optimale lenzensysteem, waardoor de resultaten tegenvielen.
Het aantal foto's per disk was beperkt, de disk was duur in vergelijking met zijn concurrent het 110-formaat, de beeldkwaliteit was desastreus en enkel Kodak stond achter dit formaat. De disc was groot en het origineel klein, waardoor het terugvinden van een bepaald negatief een vergrootglas vergde. Het diskformaat werd geen succes. |
240 - APS
![]() Het APS formaat (Advanced Photo System) is als laatste ontstaan in 1996, terwijl iedereen al wist dat de digitale technieken op komst waren. Het formaat had talrijke pluspunten, namelijk de mogelijkheid om van filmcassette te wisselen halverwege de film (de film was uitgerust met een magnetische strook waarop de fabrikant informatie had geschreven (gevoeligheid, aantal foto's). Ook het fototoestel kon extra informatie op deze magnetische strook schrijven: datum, opening, sluitertijd, enz. Dit formaat kwam te laat op de markt en zat eigenlijk tussen twee vuren: professionals waren niet gelukkig met de kleinere filmoppervlakte van 16.7 × 30.2mm en het breedbeeldformaat van 16:9 (dat je in het toestel kon omschakelen tot het klassiek 3:2-formaat APS-C, maar dan gebruikte het toestel een filmoppervlakte van 16.7 × 25,1mm), terwijl amateurs niet echt stonden te wachten op een nieuw formaat. Ten opzichte van het klassieke 135-formaat is het APS-C-formaat 1.43 keer kleiner. Spreken van "APS-sensoren" als met het over cropsensoren heeft is dus verkeerd: geen enkele sensor heeft een cropwaarde van 1.43 (Canon: 1.6, Nikon: 1.5, Olympus: 2) |
Dit formaat ontstond in 1934 en is sindsdien "de referentie", in zovere dat zelfs bij digitale reflextoestellen men refereert naar dit formaat bij het bepalen van de sensorgrootte. De meeste fototoestellen werden voor dit formaat gemaakt, en dit formaat heeft ook de meeste soorten pellicule: kleurnegatief, zwart/wit negatief, diapositief en speciale films (gevoelig voor infra rood)

Na de oorlog is het 126-formaat op de markt gekomen (1963). Een verbetering was het gebruik van de filmcassette zodat iedereen (zelfs vrouwen) een fototoestel kon gebruiken. Het 126-formaat werd daarom ook het vrouwenformaat genoemd. Dat vrouwen het voor het zeggen hebben bewijst het feit dat bij alle volgende formaten die op de markt gebracht werden men een filmcassette gebruikte. Mannen bleven hun 135-toestel trouw, terwijl vrouwen een alsmaar kleiner en minder performant formaat kozen.

Het 110-formaat is een klein formaat (Pocket Instamatic) dat negatieven van 13 × 17mm gebruikt. De kwaliteit van de toestellen is nog slechter dan bij het instamatic formaat en de geproduceerde foto's konden eigenlijk niet groter uitgeprint worden dan het toen bekende 9 × 13 cm-formaat. Het is een doorgedreven evolutie van het concept: “You push the button, we do the rest”. Naast de ontspanderknop had een Pocket Instamatic slechts één knop om de film vooruit te wikkelen, en soms een knop zon/schaduw. Dit formaat ontstond in 1972. Lange tijd waren de 135-126-110 de meest verkochte filmformaten.
Maar het kan nog slechter: het diskformaat werd in 1982 in het leven geroepen. De negatieven waren 8 × 11mm groot. Door gebruik te maken van speciale emulsies was het resultaat eigenlijk redelijk goed (het disc-formaat kreeg de primeur van de nieuwe emulsies). Het probleem situeerde zich bij de ontwikkeling: bij de belichting moest men een door Kodak gepatenteerd lenzensysteem gebruiken. De meeste ontwikkelcentrales gebruikten echter een minder dan optimale lenzensysteem, waardoor de resultaten tegenvielen.
