Negatief filmontwikkeling
Wat gebeurt er allemaal in die donkere kamer?
Filmontwikkeling
Fotografie » TechTalk » Film » Ontwikkeling » Negatief

Negatief ontwikkeling

Gevoelige film

Gevoelige film bestaat uit een celluloid drager (3 op de afbeelding) en lichtgevoelige zilverzouten (meestal een halide) in een gelatine emulsie. De afmetingen van de zilver-halide kristallen bepalen de gevoeligheid van de film. Hoe groter de kristallen, hoe gevoeliger de film. De kristallen raken elkaar niet, ze zijn omgegeven door de emulsie. In 1 hebben we de voorstelling van een weinig gevoelige film, in 2 hebben we te maken met een gevoelige film (grote kristallen).

Grotere kristallen zullen later ook een grovere korrel vertonen. Om een hoge gevoeligheid te koppelen aan een relatief lage korrel hebben hoogwaardige films een langwerpige korrelstruuktuur loodrecht op de drager. Je moet je de korrelstruktuur voorstellen als rechtstaande rijstkorreltjes: je hebt een relatief groot volume (hoge gevoeligheid) gekoppeld aan een klein oppervlakte (kleine zichtbare korrel).

Tussen de drager en de zilverlaag zit er vaak een anti-reflekterende laag om halo's rond helderen delen van het beeld te vermijden. Door de ontwikkeling wordt deze absorberende laag transparant.

Belichting in het fototoestel

De film wordt belicht. Daar waar er fotonen (lichtpartikels) tegen de zilver-halide moleculen botsen ontstaat er zuiver zilver. Zilver halide is doorzichtig, de zilver kristallen houden het licht tegen en zien er zwart uit (het zilver vormt geen mooi glanzend "zilverpapier", maar eerder een zwarte materie zoals ijzerpoeder).

Om een reaktie teweeg te brengen moeten er minstens twee fotonen nagenoeg simultaan een zilver-halide molecule raken. Dit verklaart het Schwarzschild effect (reciprocity failure), vooral van toepassing bij de zeer lange sluitertijden die bij astrofotografie gebruikelijk zijn: bij lange sluitertijden wordt de film minder gevoelig. Immers, bij weinig licht (en de daarbij horende lange sluitertijden) is de kans veel kleiner dat twee fotonen simultaan dezelfde molecule raken.

Latent beeld

Het latent beeld: bepaalde kristallen bevatten minstens één molecule zuiver zilver (men spreekt van een zilverkern), de anderen niet.

Hoe groter het kristal, hoe groter de kans dat het kristal minstens één zilverkern bevat bij eenzelfde belichting. Het latent beeld is niet zichtbaar (zou je het belichten om het beeld te zien... tja, dan heb je geen beeld meer!)

Belichte film moet zo spoedig mogelijk ontwikkeld worden, want de zilverkernen zijn weinig stabiel. Dit geldt meer voor kleurfilm dan monochroom.

Ontwikkelen en stoppen

De eeste fase van de ontwikkeling is … “de ontwikkeling” (men had beter gesproken over “de vermenigvuldiging”). De film wordt in een speciaal bad geleid dat een kettingsreaktie teweeg brengt: de enkele zilverkernen breiden uit tot het volledig kristal. Het is alsof de enige zilvermolecule als auto-katalysator werkt. Zonder ontwikkeling (enkel een fixatie) zou de film veel te weinig belicht zijn. Bij de ontwikkeling worden alle zilver halide moleculen van een belicht kristal gereduceerd tot zilvermetaal. De ontwikkeling is de meest kritische fase, want een te korte ontwikkeling resulteert in een te zwak beeld, en bij een te lange ontwikkeling worden er ook niet-belichtte kristallen gereduceerd. Ook de temperatuur en de versheid van het bad spelen een grote rol. De samenstelling van de ontwikkelbad is dan ook heel complex, met reagenten, bufferoplossingen (die de reagenten reactiveren), controle-produkten (die ervoor zorgen dat enkel de belichtte kristallen ontwikkeld worden), anti-oxidanten, vloeimiddelen,...

Film die verkeerd werd belicht (fototoestel stond op 400ISO terwijl de film 100ISO had) kan perfekt gecorrigeerd worden tijdens de ontwikkeling (“push processing”). Dit kan niet in een klassiek labo waar alle films achter elkaar ontwikkeld worden, maar een professioneel labo kan de ontwikkeltijd wel aanpassen aan de belichting, voor zover ze weten hoe de film belicht werd. Push processing (onderbelichte film over-ontwikkelen) en pull processing (overbelichte film minder ontwikkelen) wordt soms toegepast om artistieke effekten te bekomen, vooral bij kleurenfilm.

Het contrast wordt grotendeels bepaald door de mate van agitatie tijdens de ontwikkeling. Een rustige ontwikkeling (weinig schudden) veroorzaakt een vermindering van het contrast. Bij het reduceren van het zilver ontstaat er lokaal bromide dat de ontwikkelreaktie op die plaats verminderd. Een ontwikkeling waarbij continu geschud wordt veroorzaakt een beeld met een sterk contrast.

Na de ontwikkeling volgt een stopbad om de reaktie precies op tijd te stoppen. De film is nu nog steeds gevoelig, de overgebleven zilver-halide kristallen zijn nog steeds aktief en kunnen omgezet worden in zilver onder invloed van het licht. Omdat er geen ontwikkeling meer volgt kan de film onder gedempt licht behandeld worden, want zilver halide is op zich niet echt lichtgevoelig.

Fixeren en spoelen

Bij het fixeren worden de overgebleven zilver-halide kristallen weggespoeld. Met deze fase verdienen de ontwikkelcentrales grof geld, want in het spoelmiddel zit er na de spoeling een zilveroplossing dat heel duur verkocht kan worden. Nu kan de film onder normaal licht behandeld worden. De laatste stap is een grondige reiniging om alle resten van reagenten te verwijderen. Het detergent dat bij het reinigen wordt gebruikt zorgt dat er geen slierten op de filmstrook overblijven (gedroogde waterdruppels).

En zo bekomen we ons negatief: op de plaatsen waar licht gevallen is, is er een zwarte zilverkorrel achtergebleven. Je merkt dat de film met het grovere korrel uiteindelijk een donker beeld opgeleverd heeft, en dit voor een identieke belichting.

Afdruk op papier

Bij het maken van afdrukken op papier vervallen het ontwikkelbad en stopbad, aangezien een hoge lichtgevoeligheid niet nodig is (er wordt met een sterke projectorlamp gewerkt en de belichting kan meerdere minuten duren). Hier merk je pas op hoe sterk het “vermenigvuldigingseffekt” van de ontwikkeling is! Enkel fixeren (verwijderen van zilver-halide resten) en spoelen is nodig.

Om afdrukken te bekomen die meer resistent zijn, worden de afdrukken soms behandeld, waarbij het zilver gebonden wordt aan een sulfide-atoom. Deze behandeling geeft een geelachtige tint (kleur van zwavel) aan het papier, de bekende sepia-kleur. Ook selenium wordt soms gebruikt (roodachtig). Afdrukken van meer dan 150 jaar oud zijn meestal sepia: het zijn de enige afdrukken die lang genoeg bewaard kunnen worden.

Het gebruikte papiersoort is meestal barietpapier, fijnvezelig houtvrij papier dat bestreken is met een laag barietsulfaat. Barietsulfaat is helder wit en ondoorlatend, zodat de fotografische emulsie niet in het papier kan dringen.

Vroeger waren er verschillende papiersoorten beschikbaar met een verschilend contrast. Een papier met hoog contrast werd gebruikt bij negatieven die weinig contrast vertonen (landschappen) of indien men een onscherp masker wou toepassen. Tegenwoordig gebruikt men één enkel papiersoort met een mixtuur van twee gevoelige lagen, elk met een verschillende spectrale gevoeligheid (gevoelig voor een ander lichtkleur) en contrast. Wordt het papier belicht met blauw licht, dan bekomt men een beeld met hoog contrast, en met groen licht een beeld met laag contrast.