Vergroter


Fotografie » TechTalk » Film » Ontwikkeling » Vergroter

Een vergroter wordt gebruikt om vanaf een relatief klein negatief een afdruk te maken. Het beeld van het negatief wordt op gevoelig fotopapier geprojecteerd.

De vergroter

De kwaliteit van de afdruk wordt mede bepaald door de kwaliteit van de vergroter (kwaliteit van de lens), maar ook door de gebruikte lichtbron (condenser/diffusor, zie lager). De lens is uitgerust met een diafragma, de scherpste afdruk wordt meestal bekomen met een opening van ƒ/8 (kleinbeeld). De meeste vergroters zijn gemaakt voor kleinbeeld, sommige vergroters kunnen ook middenformaat film aan.

De afmetingen van de afdruk worden bepaald door de afstand tussen lens en gevoelig papier, en natuurlijk ook de grootte van het negatief (de gebruikte lens is geen zoomlens!). Als men de afstand verdubbelt moet men de belichtingstijd verviervoudigen (de belichtingstijden worden uitgedrukt in seconden, meestal van 5 tot 40 seconden). Na de afstand gewijzigd te hebben moet er scherpgesteld worden (op een wit blad papier met diafragma volledig open). Eigenlijk is het aan te raden de scherptelling te controleren bij het plaatsen van een nieuw negatief.

Bij bepaalde vergroters kan men het beeld vertikaal projecteren (zoals een dia-projector) om zeer grote afdrukken te bekomen. Een projector gebruiken als vergroter is echter geen goede keuze: een projector is gemaakt voor een hoge lichtopbrengst (lichtgevoelige lens), terwijl een vergroter ontwikkeld is om een zo scherp mogelijk beeld te projecteren.

Condenser
Diffusor

Met condenser of diffusor?

De lichtstralen van de lamp worden samengebundeld door een condenser. Na de condenser kan er een diffusor geplaatst worden (een doorschijnend stuk plastiek). De aanwezigheid van een diffusor veranderd totaal het bekomen beeld: zonder diffusor gedraagt de lichtbron zich als een puntbron, waardoor alle details scherper uitgetekend worden. Dit heeft echter ook als gevolg dat de korrelstruktuur van het negatief en mogelijke krassen en stoffen veel meer zichtbaar zijn op de afdruk. Met een diffusor is de copie vergelijkbaar met die van een contactafdruk.

Het effekt dat hier optreedt heet het Callier effekt en is meer uitgesproken bij originelen die zilver bevatten (klassieke zwart/wit ontwikkeling) en minder bij originelen die pigmenten bevatten (chromogene ontwikkeling), zie filmontwikkeling. De krassen en stofjes worden, ongeacht het type origineel, altijd veel meer zichtbaar.

Zwart-wit

In zwart-wit wordt er bijna uitsluitend negatief gewerkt (negatief film en negatief papier leveren een positief beeld). Men kan werken onder gedempt orange licht. Rood licht (dat minder aangenaam is) is niet meer noodzakelijk met de moderne fotogevoelige papieren die enkel gevoelig zijn voor blauw en groen licht.

De helderheid stelt men in door de duur van de belichting te veranderen. Is de testafdruk te donker, dan zal men korter belichten.

Het contrast kan men bijstellen door andere produkten te gebruiken bij de ontwikkeling, maar tegenwoordig heeft men hier geen keuze meer. De meeste papieren zijn echter multigrade, dat wil zeggen dat het contrast bepaald wordt door de kleur van de lichtbron bij de belichting. Het fotopapier bestaat namelijk uit twee (of meerdere) lagen die een andere gevoeligheidskromme hebben en gevoelig zijn voor andere kleuren (blauw of groen).

Men zal een gele filter gebruiken als men een laag contrast nodig heeft (komt overeen met grade 0) en een magenta filter om een beeld met verhoogd contrast te bekomen (komt overeen met papier met grade 5). Geel filtert blauw weg en magenta filtert groen weg. Fabrikanten leveren een set filters om tussen de lamp en het negatief te plaatsen, met waarden van van 0 tot 5 met stap 0.5.

Het is mogelijk “split grade” te werken,

Kleur

In kleur heb je de mogelijkheid om met negatieven of met positieven (dia's) te werken. Bij negatieven moet je negatief papier gebruiken, bij dia's moet je positief papier gebruiken. Negatief kleurpapier geeft een minder contrastrijk beeld in vergelijking met positief. De techniek die bij positieve ontwikkeling gebruikt wordt (Cibachrome, nu Ilfochrome) geeft een meer contrastrijk beeld dat niet vervaagt met de tijd.

Het werken met kleur is complexer dan het werken in zwart-wit. De temperatuur van de baden moet ingesteld worden op 1 graad en alle operaties moeten in het duister gebeuren, want het papier is gevoelig voor het volledig kleurspectrum.

Bij kleurafdrukken is het niet voldoende te werken met wit licht. Vaak moet de kleur gecompenseerd worden (bijvoorbeeld opnames binnenhuis die anders te weinig blauw bevatten). Dit kan men bereiken door met drie kleurfilters te werken en het papier te belichten met een aangepaste tijd bij ieder filter. Dit vraagt rekenwerk en is een trage werkwijze: ideaal zou het zijn als men slechts één belichting nodig zou hebben, met een aangepaste kleurtemperatuur van de lichtbron. Bij bepaalde apparaten zoals de Philips PCS 150 is het mogelijk de kleur van de lichtbron in te stellen om zo de kleurzweem te onderdrukken. De kleurkop heeft namelijk drie lichtbronnen met vermogensregeling en drie scherp begrensde dichroïde filters.

De schaal van kleurenvergroters bevat een indikatie in printer punten, waarbij 12 punten overeenkomen met één stop. Opgelet, dit is niet altijd zo bij ieder toestel, bij deze Philips bekom je een verschil van 1 stop bij een verandering van 3 eenheden.

Bij deze Philips PCS 150 is "0" de maximale belichting, en "3" is één stop minder belicht. De drie schalen hebben een andere indeling, veroorzaakt door het feit dat een halogeenlamp die gedimd wordt sneller minder blauw zal uitstralen en langer rood (op positie "12uur" zijn de drie lampen evenveel gedimd, maar een lamp zal meer rood dan blauw uitstralen). De Philips regelt de belichting door het lampvermogen te verminderen, niet de belichtingstijd, die identiek is voor alle drie lampen.

Het werken met kleurnegatieven vraagt heelwat ervaring: niet enkel is het procédé negatief en dus tegen-natuurlijk (dus meer belichten om een donkerder beeld te bekomen), maar men moet ook in complementaire kleuren denken. Vandaar dat de regelaar ook de complementaire kleur aangeeft.

Met een kleurenkop kan men ook zwart-wit afdrukken maken. Men kan zelfs de grade (contrast) instellen als men met multigrade papier werkt: het papier heeft een verschillend contrast naagelang de kleur van het licht (de afdruk is wel altijd monochroom).

Raadpleeg de handleiding om de instellingen te bekomen per gewenste grade. Hiernaast een afdruk uit de handleiding van de Philips PCS-150 (waar is de tijd dat Philips nog echt degelijk materiaal maakte?). De grade is in te stellen van 5 (hoog contrast, blauw licht maximaal) tot 0 (laag contrast, groen licht maximaal). In deze tabel staat rood altijd aan, maar speelt geen rol aangezien dit papier nauwelijks gevoelig is voor rood licht.

Kleurennegatieven afdrukken in zwart-wit?

Dit is bijna niet te doen: de kleurennegatieven hebben een orange mask om de gevoeligheid van de fotopapieren voor kleurenafdruk te compenseren. Zwart-wit fotopapier is echter nauwelijks gevoelig voor orange licht.

Kodak heeft ooit een speciaal type papier op de markt gebracht (Panalure) die gevoelig was voor het volledig spectrum en in deze situatie gebruikt kon worden.

Het maken van zwart-witte afdrukken en kleurenafdrukken staat hier uitgelegd.


Philips PCS-150


Het contrast van multigrade papier kan men instellen door de lichtkleur te wijzigen. Daarvoor kan men kleurfilters gebruiken, maar beschikt men over een vergroter voor kleur, dan kan men de lichtkleur instellen om het gewenste contrast te bekomen.

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren