Info bij de foto's rechtsOp de derde foto staat een BP103. In een zekere zin is deze transistor de opvolger van de OCP71; deze transistor is speciaal gemaakt om als fototransistor te werken (het is niet een eigenschap dat de fabrikanten achteraf uitgebuit hebben). Je ziet heel goed het siliciumplaatje met de twee aansluitdraden. De fototransistor zelf is ongeveer 3 mm groot en de foto is 400 pixels breed: dit is de maximale vergroting dat je met deze lens kan bekomen. De fototransistor zit op een printje dat de lichtflits omzet in een signaal dat sterk genoeg is om de slave-flitser te activeren. Voeding wordt van de flits zelf afgetapt. |
![]() macro-opname OCP71 |
|---|
Macrofotografie bij compact en reflex
Compact fototoestellen
Spiegelreflex |
Problemen met beperkte scherptediepte
|
Een probleem met macrofotografie is de heel beperkte scherptediepte. Je kan dit compenseren door een kleinere opening te gebruiken (/8), maar daarvoor heb je dan meer licht nodig. Bij zeer kleine openingen (/22) heeft de lens last van diffraktie (zoals alle lenzen trouwens) en is het beeld in het algemeen niet zo scherp. In het algemeen zal de beste opening (waarbij je een voldoende scherptediepte hebt en het beeld nog niet volledig soft is) een waarde van /8 tot /11 zijn. Gebruik de preview-toets om de effektieve scherptediepte te zien, want het toestel staat altijd met volledig geopende lens. Pas als de foto genomen wordt, wordt de iris gesloten tot de ingestelde waarde. Ter info: compact-toestellen sluiten maar tot /8 omdat bij deze toestellen met kleine lenzen de diffraktie een grotere rol speelt.
Als de scherptediepte zeer beperkt is, dan werkt de automatische scherpstelling niet zo optimaal, zelfs al stel je het toestel in om enkel de middenste focus-sensor te gebruiken (deze sensor is gevoeliger dan de andere sensoren). Een compact-toestel heeft minder problemen om scherp te stellen aangezien het effektief beeld gebruikt wordt (wat niet mogelijk is bij reflextoestellen). Mijn 20D slaat meestal de bal mis. Ik had veel liever gehad dat het toestel trager zou scherpstellen, maar meer secuur zou werken. De lens heeft een schakelaar 31cm - ∞ / 48cm - ∞, maar helaas kan je daarmee de lens niet beperken tot zijn macrobereik, wat toch zijn normaal werkingsgebied zou moeten zijn. Als het toestel over het focuspunt heen schiet (wat in de meeste gevallen gebeurt), dan vliegt de focus naar ∞. Een spiegelreflex met live preview mogelijkheid (en vooral contrast-detectie autofocus) is beter geschikt voor macrofotografie. Gebruik de zoomfunktie van de live preview om te controleren of het deel dat je scherp wilt hebben effectief binnen het scherpe gebied zit. Een statief of andere bevestiging van het fototoestel is in de praktijk een must. |
Voorzie een monitor bij macrofotografie
| Bij macrofotografie is het speelveld ("playground", om in te spelen op de reklame voor een spiegelreflex) en de scherptediepte zo beperkt dat je onderwerp en fototoestel heel goed moet positioneren, het is een kwestie van milimeters. Als je dan je gezicht tegen het toestel houdt, dan wordt de hele boel verstoord. De oplossing? Een externe monitor. Alle digitale fototoestellen hebben een video-uitgang waarmee je de opgenomen beelden op een televisie kan bekijken. Bij een compact-toestel of een spiegelreflex met live preview kan je zelfs real-time beelden bekijken. De "resolutie", voor zover je van resolutie kan spreken bij TV-beelden, bedraagt ongeveer 200.000 of 400.000 pixels (naargelang het fototoestel: stuurt het enkel een raster (frame) uit of een volledig beeld?) Reflextoestellen uit de top-klasse sturen een HDMI-signaal uit in plaats van een videosignaal (minstens 4× hogere resolutie). |
Gebruik de tracking-mogelijkheid van je autofocus
|
Als je vlinders, wilde bloemen en dergelijk fotografeert, moet je de tracking van je reflextoestel inschakelen. Bij Canon heet deze instelling Servo focus. Deze instelling gebruik je ook bij sportfotografie om sportmannen beter te kunnen volgen op het veld. Bij macrofotografie in de natuur is een dergelijke instelling ook nodig, want de kleinste windstoot doet de bladeren bewegen en de scherptediepte is extreem beperkt. De tracking autofocus moet de beweging van de natuur (of van het fototoestel) opvangen. Compact-toestellen hebben vanwege het gebruikte systeem geen tracking-mogelijkheid: van zodra de ontspanderknop half-ingedrukt wordt, wordt de focus vastgehouden.
Vergeet niet achteraf de tracking autofucus uit te schakelen (terugkeren naar One Shot autofocus). Bij portretfotografie ga je scherpstellen op de ogen en dan het beeld herkadreren. Het is niet de bedoeling dat het fototoestel opnieuw scherpstelt op hetgeen toevallig in het midden van het beeld staat. |
Backfocusprobleem
| Bij macrofotografie komt het backfocusprobleem (dat inherent is aan iedere reflextoestel met stigmometerscherpstelling) sterk naar voren. Hier is het effekt storend, en het effekt beperkt zich niet tot lenzen met een extreme hoge opening (/1.8 bijvoorbeeld). Het deel dat scherp is in de zoeker (en waarop werd scherpgesteld) is niet meer scherp als de foto genomen wordt. Beide vlakken (matglas en sensor) liggen namelijk niet perfekt op eenzelfde afstand. |



