Lichtmeting en belichting


Fotografie » TechTalk » Fysica » Lichtmeting en belichting

Een fototoestel moet juist belichte foto's kunnen nemen, ongeacht de lichtomstandigheden. Het fototoestel moet de hoeveelheid licht kunnen meten, en dan automatisch de cameraparameters aanpassen: sluitertijd, lensopening, sensorversterking (ISO-waarde).

De belichting is de instelling van het fototoestel om een correct beeld te bekomen. De uitlichting is het plaatsen van de lichtbronnen, reflektoren of het gebruiken van het aanwezig licht: dit gebeurt uit het fototoestel.

De belichting bij studiofotografie wordt hier uitgelegd. De automatismen waarover het fototoestel beschikt moeten hier uitgeschakeld worden en het fototoestel moet 100% manueel werken.

Bij band- en cassetterecorders (vraag aan je grootouders...) kon de volume ingesteld worden bij de opname. Een opname met een te laag volume was gekenmerkt door het sterke ruis, terwijl een opname op een te hoog volume gepaard ging met overstuurde delen (als de naald "in het rood" ging).

Hetzelfde geldt bij fotografische opnames, maar de moderne sensoren hebben een grotere dynamiek, zodat alle lichtintensiteiten correct opgenomen kunnen worden, zonder oversturing van de helderste beeldelementen en zonder teveel ruis in de schaduwen. In tegenstelling met de geluidstechnicus kan de fotograaf echter spelen met 4 instellingen om het volume te regelen. Deze elementen worden lager besproken.

Als basis gebruikt het fototoestel het principe "expose for highlights, process for shadows". Het beeld zal zo sterk mogelijk belicht worden, maar zonder dat er delen overbelicht zouden zijn. De reden is eenvoudig: bij een sterkere belichting is er minder ruis, maar een overbelicht beeld is (meestal) niet meer te redden. In vol-automatische modus zal het toestel een tragere sluitertijd gebruiken bij weinig licht: daarom zijn foto's onscherp door bewegingsonscherpte.

Detailpagina's:

4 elementen bepalen de belichting van een foto (zie afbeelding rechts):

  1. De opening bepaalt hoeveel licht er doorgelaten wordt. Deze waarde wordt uitgedrukt in ƒ/ (bijvoorbeeld ƒ/5.6). Dit komt op de afbeelding overeen met de kraan die min of meer open gedraaid wordt.

  2. De sluitertijd geeft aan hoe lang het licht de sensor kan bereiken. Op de afbeelding komt dit overeen met de tijd die de kraan open is.

  3. De belichtingswaarde (of Exposure Value) is de helderheid van het onderwerp. Dit is te vergelijken met de waterdruk.

  4. De ISO-waarde of gevoeligheid geeft aan hoe de sensor reageert op het licht. Een hoge ISO-waarde betekent dat de sensor meer lichtgevoelig is. De ISO-waarde komt overeen met de grootte van het emmer. Een kleine emmer (hoger ISO-waarde) is sneller vol, maar loopt ook sneller over en het niveau is minder nauwkeurig gedefinieerd.
Als een waarde verandert, dan moet het fototoestel een andere waarde veranderen om de wijziging in belichting ongedaan te maken. Een waarde kan natuurlijk veranderen (bijvoorbeeld de belichtingswaarde), maar bepaalde waarden kunnen veranderen door de bediening van het toestel (inzoomen, waardoor de lensopening kleiner wordt). Bij het inzoomen moet vaak ook de sluitertijd korter worden om bewegingsonscherpte te vermijden, daarom zal het fototoestel de ISO-waarde opvoeren als deze mogelijkheid voorzien is (in auto-ISO modus).

Opvallend licht of
gereflekteerd licht

Een fototoestel doet altijd een gereflekteerde lichtmeting: het meet het licht dat door het onderwerp teruggekaatst wordt.

Zonder speciale algoritmen kan een donker onderwerp te helder zijn, en een helder onderwerp (bijvoorbeeld een blad papier met wat tekst op) te donker. Daarom gebruiken fotografen die professioneel werken een lichtmeter dat het opvallend licht meet. De ingebouwde lichtmeter van het fototoestel wordt dan buitenspel gezet.

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren