Fotografie » TechTalk » Lenzen »

De bokeh is het effekt waarbij het onderwerp zich scherp aftekent tegen een onscherpe achtergrond. Eigenlijk is de achtergrond niet echt “onscherp” zoals je kan zien op de pagina over vignetering.

Om een mooie bokeh te bekomen moet je volgende ingredienten hebben:

Op alle punten scoren GSM-fototoestellen en goekope fototoestellen zeer slecht. Sommige fototoestellen zijn uitgerust met een fixfocus lens (dat een ongeveer scherp beeld produceert vanaf 1 meter tot oneindig), zodat goede portretfoto's nagenoeg onmogelijk zijn.

Scherptediepte is een optisch fenomeen dat "omgekeerd evenredig afhankelijk" is van de kwaliteit van de lens —amateurfotografen zijn verwonderd dat hun dure reflex een beperktere scherptediepte heeft dan een goedkope compact (volg de link voor meer uitleg). Goede lenzen kunnen ingesteld worden om een mooie achtergrond te bekomen, niet te scherp, maar ook niet te rommelig: men zegt dat de foto een mooie "bokeh" heeft.

De kwaliteit van het onscherpe gedeelte hangt ook af van het soort diafragma. Een diafragma met veel lamellen (doorgaans gebruikt in duurdere lenzen) geeft een mooier effekt dan een eenvoudig diafragma met drie lamellen. Ook de constructie van de optiek speelt een rol.

De scherptediepte van een foto stel je in door de opening te regelen. Daarvoor moet je je fototoestel in "aperture priority" instellen (jij regelt de opening en het fototoestel kiest de juiste sluitertijd en eventueel ook de ISO-waarde bij bepaalde toestellen). Goedkopere fototoestellen werken doorgaans met voorgekauwde programma's of "scenes" zoals sport, nightlife, landscape, portrait.

Bij portretfotografie met een reflextoestel kies je een opening van ƒ/2.8 bij 50mm, ƒ/3.5 bij 70mm en ƒ/4 bij 100mm. Deze brandpuntafstanden worden doorgaans het meest gebruikt bij portrets. Grotere openingen zijn niet altijd aangewezen, omdat de achtergrond dan zo onscherp wordt dat het storend wordt. Je kan meer leren over de lensopening (f-waarden) op deze pagina's.

Bij ƒ/2.8 is de achtergrond zeer onscherp, bij ƒ/22 is dit duidelijk minder het geval. De begroeing staat op 2 meter, zodat je zelfs met een relatief kleine opening nog altijd een onscherpe achtergrond hebt. De brandpuntsafstand van de twee eerste foto's is 100mm (kleine tele): hier zou een opening ƒ/8 of ƒ/11 ideaal zijn geweest. De tweede foto heeft trouwens bewegingsonscherpte wegens de veel te kleine opening (sluitertijd 1/8).

Bij de derde foto, genomen met een breedhoek (28mm) is "meer" van de achtergrond te zien. Hier ben je bijna verplicht om met een zo groot mogelijke opening te werken zodat de achtergrond niet interfereert met het onderwerp.

ƒ/2.8, 100mm
ƒ/22, 100mm
ƒ/3.5, 28mm

Een compact fototoestel voor portrets?

Ik krijg regelmatig de opmerking van beroepsfotografen die zeggen dat een compact-toestel altijd onbruikbaar is voor goede portretfotografie. Waarschijnlijk hebben ze nooit gewerkt met een Sony DSC-F828. Het is nu bijna 10 jaar dat ik dat toestel heb, en met dit toestel ben ik begonnen met portretfotografie.

De volgende beelden zijn een vergelijking van de Sony DSC-F828 en een Canon 20D (beide met een 8 megapixel sensor).

Eerste reeks: de twee toestellen worden vergeleken bij een brandpuntsafstand van 50mm, en de maximale opening dat bij beide lenzen mogelijk is, dus in dit geval 3.5. Bij de Canon 20D heb je te maken met een cropfaktor van 1.6, dus moet je een brandpuntsafstand van 30mm instellen (schijnbare beeldvergroting bij het gebruik van een toestel met een cropfaktor-lens).

De Sony geeft een wat scherper beeld (kunstmatige scherpening om het effekt van de optische low pass filter ongedaan te maken), maar in de donkere partijen ook heelwat meer ruis, al staat de gevoeligheid op minimum (64ISO).

Tweede reeks: bij een brandpuntsafstand van 100mm (Canon: 62mm) treden de eerste kleine verschillen wat betreft de scherptediepte op. De Sony heeft een wat scherpere achtergrond. Hier heb ik voor een opening van ƒ/5.6 gekozen.

Derde reeks: door een nog langere brandpuntsafstand te gebruiken (200mm, Canon: 125mm) verliest de achtergrond aan belang. Hier ook een f-waarde van ƒ/5.6.

Laatste foto: bij de Sony is het echter mogelijk een verhoogde onscherpte te bekomen door de maximale opening te gebruiken waarover de lens beschikt, dus ƒ/2.8 bij 200mm (en ƒ/2.5 bij 100mm). Met alle compact-fototoestellen kan je een goede portretfoto maken als je een lens hebt dat voldoende lichtsterk is (dus in de praktijk ƒ/1.8 of ƒ/2). Je moet grotere openingen kiezen dan in het aangehaald voorbeeld, omdat de huidige sensoren nog kleiner zijn dan de sensor van de Sony waarmee vergeleken wordt.

50mm ƒ/3.5
100mm ƒ/5.6
200mm ƒ/5.6
Sony 200mm ƒ/2.8

Toen ik deze vergelijkingstest gedaan heb, had ik geen Canon lens met een opening van ƒ/2.8 op 125mm.

het is echter wel zo dat de huidige compact fototoestellen zo'n kleine sensor gebruiken, dat de achtergrond niet mooi onscherp kan gemaakt worden. Dit is een optisch fenomeen eigen aan toestellen met zeer kleine sensoren: het diafragma (een relatieve waarde) is bij dergelijke toestellen zo klein dat een kleine scherptediepte technisch niet mogelijk is.

Maar een mooie foto is meer dan een scherp onderwerp en een onscherpe voor- en achtergrond. Hoe het onscherpe beeld weergegeven wordt speelt ook een rol. We hebben al gelezen dat het objectief uitgerust moet zijn met een diafragma met minstens 5 lamellen (doorgaans is dit tegenwoordig altijd het geval), want de heldere delen buiten focus (out-of-focus highlights) krijgen dezelfde vorm als de opening (een paar voorbeelden zijn te zien op de pagina over vignetering). Maar men kan speciale effekten bekomen met out-of focus highlights, zoals de cat's eye.

Heldere delen buiten focus (out-of-focus highlights) krijgen dezelfde vorm als de opening. Bij een lensunit met 6 bladen, is dat een hexagoon (foto hiernaast).

Maar ook de kwaliteit van de optiek speelt een rol (en de preciese instellingen die bij de fabricage gebruikt worden). In objectieven gebruikt men asferische lenzen om vervormingen tegen te gaan, maar als men de lens te sterk corrigeert bekomt men "ni-sen" of een vorm van slechte bokeh. De onscherpe vlekken zien er uit als ringen of zelfs dubbelbeelden (zie deze site voor een paar foto's over bad bokeh; het is eigenlijk een pagina over Defocus Control, maar bokeh wordt er ook besproken). Eenzelfde effekt bekomt men (maar dan veel erger) als men een spiegellens gebruikt (maar deze lenzen worden niet gebruikt voor portrets). Het gat in het midden van de spiegel (om de lichtstralen door te laten) produceert opvallende ringen.

Met m'n Sony heb ik eigenlijk nooit last van een onvoldoende bokeh veroorzaakt door een te grote scherptediepte. Ik heb echter wel last van de beperkte scherptediepte van grote sensoren bij macrofotografie. Ook is een lens met een extreem hoge opening (ƒ/1.8 bij 85 mm of ƒ/1.4 bij 50mm) weinig bruikbaar voor portretfotografie. Als de achtergrond redelijk ver staat is de onscherpte storend (je hebt geen idee meer wat de achtergrond is).

Soms is een onscherpe achtergrond niet voldoende om een model te laten uitkomen, bijvoorbeeld omdat zowel de achtergrond als het onderwerp ongeveer dezelfde kleur hebben. Selective color kan hier een oplossing bieden.

Als fotomodel heb ik hier Neptunus gebruikt,
veel goedkoper dan het werken met een echte model!


Een optiek uitgerust met een dergelijk diafragma zal een vreselijke bekeh hebben!

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren