Bij additieve kleurmenging bekomt men meer heldere tinten:
- rood en blauw geven magenta,
- groen en blauw geven cyan en
- groen en rood geven geel.
Additieve kleurmenging wordt gebruikt in displays (beeldbuis, LCD en plasma): als men een rode en blauwe pixel naast elkaar laten oplichten, dan bekomt men door menging een heldere kleur, magenta. De secundaire kleuren zijn de kleuren die men bekomt bij het mengen van twee primaire kleuren.
Mengt men een primaire kleur met zijn secundaire complementaire kleur, dan bekomt men wit. Blauw (primaire kleur) gemengd met geel (dat bestaat uit groen en rood) geeft wit (zo werken de huidige "witte" leds).
Beperkingen van het additief kleurmodel
Zoals met het subtractief model zijn bepaalde kleuren moeilijk te realiseren: het geel ziet er nooit uit als geel, maar als een soort licht-groen (vooral als je te dicht bij het scherm staat en je de individuele pixels kan zien). Bepaalde displayfabrikanten gebruiken extra kleuren om deze gebreken te verminderen: in plaats van een triade (rood-groen-blauw) wordt er met vier kleuren gewerkt (rood-groen-blauw-geel). De voordelen zijn een lager verbruik bij LCD (de kleurenfilters absorberen namelijk 2/3 van het licht van de achtergelegen backlights) en juistere kleuren.
Kleurenwiel van een DLP projector
Een DLP projector gebruikt een kleurenwiel (roterende dichroïd filter) met de kleuren groen, rood en blauw. Deze kleuren zijn goed zichtbaar door transparantie (filterwerking). Een dergelijke projector gebruikt dezelfde primaire kleuren als een LCD panel of een plasma televisie. In tegenstelling met een klassieke kleurfilter die de ongewenste kleuren absorbeert, reflekteert een dichroïde filter de ongewenste kleuren. Magenta, cyan en geel,… juist, dat zijn precies de complementaire kleuren van het additief kleurenmodel! Een voordeel van de dichroïde filter is dat de kleuren beter gedefinieerd zijn en niet vervagen met de tijd. Het effekt is op interferentie en niet op pigmenten gebaseerd: pigmenten vervagen door de hoge temperatuur en hoge lichtsterkte.
Sensoren
De meeste sensoren in digitale fototoestellen zijn uitgerust met een RGB-filter. Deze primaire kleuren absorberen 2/3 van het licht. Zou men de primaire kleuren van het subtractief kleurmodel gebruiken, dan zou men een sensor bekomen dat tweemaal zo gevoelig is. Men heeft in de begintijd van de digitale fotografie geëxperimenteerd met CMYG (cyan, magenta, geel, groen), maar de beperkte rekenkracht van de processoren van 10 jaar geleden maakte de camera ombruikbaar traag (de foto in CMYG-kleuren moest namelijk eerst omgezet worden naar RGB-kleuren dat al een gestandardiseerd formaat was (JPEG)). Het CMYG-model heeft een beperktere gamut dan het RGB-model (niet alle tinten kunnen geregistreerd worden), dit is ook een reden waarom het CMYG uiteindelijk afgevoerd werd.
Toepassing
In bepaalde beeldverwerkingsprogramma's kan men de kleurkanalen individueel bewerken. Vaak zit de meeste beeldinformatie in het groene kanaal: men kan bijvoorbeeld het groene kanaal selecteren als men een zwart-wit afbeelding wenst te bekomen (de huidstinten zullen in het algemeen te donker, en het gras te helder zijn).
Het werken met de individuele kanalen heeft meer nut in het Lab kleurmodel waarbij de chrominantie de luminantie onafhankelijk van elkaar ingesteld kunnen worden.
|