Ontwikkeling van de film


Fotografie » TechTalk » Historisch » Ontwikkeling van de film

We bespreken hier de ontwikkeling van de fotografie, en in het bijzonder de opeenvolging van toegepaste scheikundige processen. De eerste technieken waren eerder toepassingen van de fysica, namelijk het harden en polymeriseren van harsen onder invloed van het zonlicht.

Men was op de hoogte dat bepaalde zilverzouten lichtgevoelig waren, maar men kon het effekt niet "bevriezen" (werken van Thomas Wedgwood rond 1830). De gemaakte afbeeldingen werden daarom lanzamerhand volledig zwart.

Daguerréotype

Daguerre gebruikte een volkomen eigen procédé, gebaseerd op de zwarting van bepaalde zilverzouten in contact met licht. Alle volgende processen zullen gebaseerd zijn op deze eigenschap, maar zullen andere scheikundige handelingen gebruiken.

Het procédé werd in 1835 uitgevonden en werd regelmatig verbeterd. Men begint met een koperplaat die bedekt is met een dunne zilverlaag. De plaat wordt geactiveerd door jodiumdampen, die met het zilver reageren en zilveriodide vormen.

Daguerre was ook de eerste die het "ontwikkelen" toepaste, namelijk het versterken van een latent beeld. Het ontwikkelen gebeurt met kwikdampen, die een amalgaam vormen met het zilver.

Als laatste fase wordt het beeld gefixeerd door een bad in een sterk zout, men gebruikte eerst keukenzout, nadien hyposulfiet.

Het beeld is mechanisch zeer zwak en de plaat wordt beschermd met een glazen plaat. In tegenstelling met het vorig procédé heeft dit systeem wel succès en binnen een paar jaren kan men overal daguerréotype-winkels vinden in Parijs. De beelden zijn uiterst scherp, halftinten zijn mogelijk, maar nog geen 15 jaar later zal een ander procédé toegepast worden. Het procédé is nogal gevaarlijk (giftige dampen) en er kunnen geen copiën gemaakt worden

Calotype

Het calotype en de volgende procédés gebruiken allemaal nagenoeg dezelfde scheikunde, enkel de drager is verschillend: papier, collodion op glas (ambrotype) en uiteindelijk gel op glas en dan op film.

Het procédé is totaal verschillend van die van Daguerre (behalve dat er ook zilverzouten van pas komen). De ontwikkeling van de methode gebeurt nagenoeg simultaan met het daguerréotype. Men begint met een vel papier die in zilver chloride gedrenkt wordt. Na belichting wordt het beeld gefixeerd met hypo, die de onbelichte zilverzouten oplost. Zo kan men vermijden dat het volledig beeld zwart zou worden.

Het eerste procédé is "printing out", dat wil zeggen men belicht het beeld totdat de gewenste zwarting bekomen wordt (belichtingstijden van meerdere uren). Achteraf is men hier ook ontwikkeling van het latent beeld gaan toepassen ("developing out"). Dit uiteindelijk procédé wordt gepatenteerd, waardoor het nooit echt in zwang zal komen. Talbot, de uitvinder zal jaren aan een stuk strijden om zijn rechten te laten gelden.

Het beeld is negatief, aangezien de zilverzouten zwart worden onder het licht. Maar het papier maakt een positieve kopie mogelijk (contactdruk). Het origineel wordt in was gedrenkt om die meer doorzichtig te maken en wordt dan gebruikt om positieve afdrukken te maken. De bekomen afdrukken hadden een beperkt contrast en waren niet zo scherp vanwege het papier. Soms ziet men nog de vezels in de afdruk. Het gebeurde dat men de afdrukken met de hand inkleurde om het beeld op te fleuren.

In 1844 geeft Talbot een boek "Pencil of Nature" uit, met daarin 24 fotografische afdrukken. Dit is het bewijs dat een negatief meermalen gecopieerd kan worden. Maar het is een traag en arbeidsintensief scheikundig procédé, terwijl het drukwerk toen reeds machinaal was.

Collodion

Een tiental jaren later ontstaat er een procédé dat gebaseerd is op het calotype, maar met een glasplaat in plaats van papier. De aktieve stof is collodion, een vorm van cellulose opgelost in ether en alcohol. Het vormt een stroperige stof zolang het vochtig is. Zeer scherpe afdrukken met duidelijke details zijn mogelijk, maar de plaat wordt ongevoelig als de laag hard is geworden. De fotograaf moet zijn plaat klaarmaken, de foto nemen en de plaat ontwikkelen terwijl dat het collodion nog zacht is. Na het fixeren wordt er soms een vernis aangebracht op het collodion. De belichtingstijd bedraagt enkele seconden, de laag is dus redelijk gevoelig, maar enkel voor blauw en ultra-violet licht, waardoor de handelingen in rood licht kunnen gebeuren.

Men bekomt een negatief, die gebruikt kan worden om positieve afdrukken te maken.

Droge plaat

In 1871 gebruikt men een droge laag in plaats van een zachte, vochtige laag. Het is een emulsie (een gel) van zilverbromide in gelatine. Men brengt de gelatime aan op de glasplaat, laat het geheel drogen en warmt de plaat op. Deze opwarming zal de gelatine harden, maar ook de emulsie gevoeliger maken. Een eerste fabriek wordt in 1879 opgestart.

Het beeld is robuster, want het zit ingepakt in de harde gelatine. Zo kan men ook gaan werken met film in plaats van dure glasplaten: dit wordt het begin van de fotografie voor het grote publiek. De film wordt in 1889 gelanceerd, eerst gebruikt men een zeer brandbare celluloid drager, nadien is men acetaat gaan gebruiken (deze films geven een typische azijngeur af als ze in een gesloten verpakking bewaard zijn gebleven).

Behalve de Daguerréotype produceren alle processen een negatief die dan gebruikt wordt om positieve afdrukken te maken.

De fotografiesche emulsie wordt verbeterd, met een emulsie die gevoelig is voor alle kleuren (panchromatische emulsies). Dan ontstaan de eerste kleurfilms met positieve en negatieve ontwikkeling.

Scheikundige processen

Daguerréotype

De meest bekende daguerréotype in 1935.
De voetgangens en de paardenkoetsen zijn niet zichtbaar vanwege de lange sluitertijd (geschat op 10 minuten), maar een persoon die zijn schoenen laat poetsen is wel zichtbaar.

Calotype

Calotype genomen aan boord van de HMS Suberp in 1845.
Het beeld is niet zo scherp, maar het procédé is minder gevaarlijk (giftige dampen)

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren