Ontwikkeling van de film


Fotografie » TechTalk » Historisch » Fysische processen

We bespreken hier de ontwikkeling van de fotografie, en in het bijzonder de opeenvolging van toegepaste processen. De eerste processen waren zuiver fysisch, namelijk gebaseerd op de fotogevoeligheid van bepaalde harsen.

Bitumen en harsen

Nicéphore Niépce (samen met Louis Daguerre) gebruikte het eigenschap dat bepaalde harsen fysische veranderingen ondergaan als ze aal licht blootgesteld worden. De harsen zijn daardoor niet meer oplosbaar in alcohol of petroleum.

Nagenoeg alle harsen, indien zij goed geprepareed worden, kunnen gebruikt worden. Niépce gebruikte lavendelolie dat hij liet verdampen, tot hij een zeer viskeuze stof bekwam. De bekomen hars werd dan in alcohol opgelost (1% hars) en op een glasplaat of metalen plaat gestreken. Door blootstelling aan zonlicht ondergaat de hars een polymerisatie, waardoor die niet meer oplosbaar is in petroleum. Het procédé kreeg de naam physautotype (foto gebaseerd op fysische veranderingen).

Dit procédé is weinig lichtgevoelig en vraagt belichtingstijden van ongeveer 20 uur zonlicht (camera obscura): een foto nemen duurt dus meerdere dagen in de praktijk. Een doordruk (contact copie) kan sneller gebeuren.

De bekomen afbeelding is gedetailleerd, maar bevat weinig contrast. Niépce schakelde dan over op bitumen op een metalen plaat. Bitumen zijn een soort asfalt, een zeer viskeuze stof. De bitumen wordt eerst in benzine opgelost en op de plaat gestreken. Men bekomt een soort vernis. Na langdurende belichting (minstens 8 uur in volle zon) lossen de bitumen niet meer op. Na het spoelen bekomt men dus een negatief beeld: de donkere bitumen blijven over op de belichte plaatsen.

Een paar jaren later wordt er gewerkt met een zilveren plaat. Na het oplossen van de bitumen wordt de zilveren plaat in een zuur gedompeld en er ontstaan zilverzouten die zwart worden. Na het verwijderen van de restanten van de bitumen bekomt men een positief beeld. Dit waren bruikbare foto's, maar grijstinten zijn moeilijk te bekomen (ofwel blijven er bitumen over, ofwel wordt de plaat aangetast door het zuur).

Maar men is nog verder gegaan. Door het metaal dat niet beschermd is in een zuur op te lossen bekomt men een soort reliefdruk die in de drukkerij gebruikt kan worden om afdrukken te maken. De inkt wordt opgenomen in de putjes en kan achteraf overgebracht worden op het papier. De naam gravure en graveren komt van deze handeling. Het belichten van een plaat en het graveren heet dan héliografie (schrijven met licht). Het drukprocédé met reliefdruk heet héliogravure en wordt nog steeds toegepast.

Grijstonen waren niet haalbaar, omdat de bitumen ofwel opgelost werden, ofwel achterbleven. Grijstonen werden manueel bereikt door de bitumen manueel te bekrassen (de voorloper van het rasteren in de drukkerij).

Contactafdrukken van een tekening (bijvoorbeeld om een reliefdruk te maken) gaan wat sneller, ongeveer een uur in volle zon: het zijn ondermeer de beperkingen van de gebruikte optieken die voor lange belichtingstijden zorgen als men via de camera obscura werkt.

De eerste foto rechts is een foto uit 1827 gemaakt met lavendelhars,
de tweede dateert van 1826 (bitumen) en is de eerst gemaakte foto die bewaard is gebleven.

Het is het vermelden waard dat Niépce op de hoogte was van een scheikundig procédé om fotos te maken (gebaseerd op de lichtgevoeligheid van bepaalde zilverzouten), maar kon de foto's niet fixeren, waardoor die altijd in een donkere omgeving bewaard moesten worden. Dit procédé werd begin 1800 ontwikkeld door Thomas Wedgwood (dus ongeveer 30 jaar voor het ontstaan van de fotografie).

De volgende procédés zijn allemaal gebaseerd op chemische reakties die intrinsiek lichtgevoeliger waren, maar waarvan het zeer zwak beeld ontwikkeld kon worden.

Fysische processen


“Clair de lune”


Nicéphore Niepce, foto genomen door het raam van zijn werkplaats, 1826

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren