Historisch overzicht
Een half-automatische filmreflex
Praktica
Fotografie » TechTalk » Fysica » Historiek » Automatische filmreflex
Reeds in de tijd van de filmreflex hadden de fototoestellen nagenoeg alle automatismen. De overgang naar digitaal heeft eigenlijk niet zoveel nieuws gebracht...

Automatische filmreflex

Een filmreflex had automatismen zoals een moderne digitale reflex. Ik bespreek hier een Praktica BX 20 uit het eind van de jaren 80. Canon lanceerde in dezelfde periode zijn autofocus systeem (EOS bodies: Electro-Optical System en EF lenzen: Electro Focus)

Het opmerkelijk systeem om de ƒ-waarde van de lens in de zoeker te kunnen lenzen valt direct op. Echt noodzakelijk is dit niet, maar in die tijd waren de aanduidingen in de zoeker rudimentair (LCD schermpjes bestonden toen niet!) Vaak had je niet veel meer dan een galvanometer die aangaf of het beeld over- of onderbelicht was.

Filmreflex

Digitale reflex

  1. Uitlezing van de ƒ-waarde (diafragma) via een vernuftigd lichtpad
  2. Lenssysteem met lichtpad (magenta in rust, groen bij het nemen van een foto)
  3. Matglas met stigmometer. Een deel van het licht van het matglas wordt opgevangen door de lichtmeter (orange lichtpad)
  4. Hoofdlichtmeter
  5. Opklapbare spiegel (getekend in rustpositie, voor de foto wordt de spiegel naar boven tot tegen het matglas geklapt)
  6. Belichtingsmeter flits TTL
  1. Lensunit
  2. Opklapbare spiegel
  3. Sluitersysteem (zoals bij de filmreflex)
  4. Sensor
  5. Matglas
  6. Collimatorlens
  7. Prisma
  8. Oculair
  9. SIR: autofocus sensoren

Autofocus

De eerste filmreflexen hadden geen autofocus: er werd uitsluitend manueel scherpgesteld met de stigmometer (split prisma).

Tegenwoordig gebruikt met aparte autofocus sensoren (gemonteerd in de bodem van het fototoestel (SIR of Secundary Image Registration). Het voordeel is dat men met meerdere focuspunten kan werken. Ieder autofocus sensor heeft zijn eigen split prisma. De spiegel is tegenwoordig dubbel uitgevoerd met een half-doorlatende deel om licht toe te laten tot de AF sensoren.

Belichting

De fototoestellen werden uitgerust met twee lichtmeters: één lichtmeter dat normaal gebruikt werd (4 op de afbeelding), en één dat bij het flitsen gebruikt werd. Er werd toen geen voorflits gebruikt, maar de flitspuls werd onderbroken bij het bereiken van de gewenste belichting. Het was reeds een TTL lichtmeting (through the lens), maar dan van de eerste soort.

Bij het flitsen werd de belichting gemeten door het licht dat door de film weerkaast werd te bepalen. De lichtmeting gebeurde tijdens het nemen van de foto.

Digitale reflexen gebruiken een voorflits (evaluative TTL) die gemeten wordt door de hoofdlichtmeter. De flitsmeter kan aldus vervallen. Na de meetflits wordt de spiegel omhoog geklapt, gaat de sluiter open en wordt er opnieuw geflitst met het berekend vermogen.

Bij het vervangen van het matglas door een speciaal exemplaar (voor gebruik met lichtgevoelige lenzen) moet de camera ingesteld worden: ieder soort matglas laat immers een bepaalde hoeveelheid licht door. Het fototoestel is gecalibreerd voor een bepaald type matglas, en gebruikt men bijvoorbeeld "precision matte", dan zullen de foto's overbelicht zijn. Het nieuw matglas laat namelijk minder licht door tot de meetsensor, die dan compenseert door het beeld te veel te belichten.

Kleurbalans

Een digitale reflex heeft nog een automatisme meer dan de filmreflex: namelijk de automatische witbalans. Vroeger moest het beeld gecompenseerd worden voor een bepaalde lichtbron zodat er geen kleur overheerste (dit gebeurde door speciale filters te monteren). Tegenwoordig gebeurt de witbalans automatisch na het nemen van de foto. De data van de beeldsensor wordt daarvoor gebruikt. Bij het opslaan in RAW gebeurt er geen kleurcompensatie.