|
Hier krijgt u een beknopt uitleg over de optica die van toepassing is bij het berekenen van lenzen. Op de volgende bladzijden zal u zien hoe deze theorie in de praktijk wordt omgezet.
We beperken ons tot de optica van de lenzen die gebruikt worden in fototoestellen. Dus geen lenzen met negatieve kromming (holle of concave lenzen) en geen spiegels. De theorie is al moeilijk genoeg. |
Positieve lens
De bolle lens (convexe of positieve lens) werkt convergerend. Evenwijdige lichtstralen (zoals die van de zon of van ieder onderwerp op een zeer grote afstand) worden samengebundeld in het brandpunt of focaal punt (F). De formule om de brandpuntsafstand () te bepalen heet de “lenzenmakers formule” (lensmaker's equation)
Waarbij R1 en R2 de stralen van de bolvorm zijn. Bij convexe lenzen is de brandpuntsafstand altijd positief. Bij concave lenzen heeft men een negatieve brandpuntsafstand (het virtueel “brandpunt” staat aan de andere kant van de lens). Deze lenzen worden hier niet verder besproken. De dioptrie of lenssterkte is 1/ (als uitgedrukt is in meters). |
Lens werking
Lichtstralen worden afgebogen omdat ze de glasoppervlakte schuin raken. Omdat de lens gebogen is gedraagt de lens zich lokaal als een kleine prisma. In zijn geheel is de lens een oneindig aantal prisma'sAan de buitenkant, waar de lensvlakken het minst evenwijzig zijn is het prisma-effekt het sterkst. Halverwege, waar de beide lensvlakken wat meer evenwijdig zijn, is de breking minder. Lichtstralen die door het centrum van de lens passeren worden niet afgebogen. Dit is ook normaal, want op die plaats is er geen prisma-effekt (beide oppervlakten zijn evenwijdig). Bij een glasplaat, waar beide vlakken van het glas ook evenwijdig zijn, treedt er geen lichtbreking. |
Reëel beeld
We leggen eerst uit waarom we de formele tekening van lichtstralen gebruiken. Deze formele figuren worden overal toegepast, maar de meeste mensen weten niet wat ze betekenen en waarom ze gebruikt worden. We beginnen met een object en een bolle lens. De formele tekening van een bolle lens is een lijn met twee naar buiten gerichte pijlen.
Ons object (dat formeel voorgesteld wordt door een pijl) straalt in alle richtingen uit. Ga over de vette tekst om de bijhorende lichtstralen te doen verschijnen.
Eerst beperken we ons tot de lichtstralen die evenwijdig met de optische as van de lens lopen (hoofdas).
Dan volgen we alle lichtstralen die uit één punt afkomstig zijn.
Ieder punt van het object geeft lichtstralen.
Als we zowel de evenwijdige stralen en de puntstralen samenvoegen komen we tot de volgende situatie:
Hier komen de belangrijkste lichtstralen aan bod: Voor de duidelijkheid halen we alle andere stralen weg en we bekomen onze formele voorstelling met de drie belangrijke hoofdstralen. De lens vormt een reëel beeld: een exacte afbeelding dat opgevangen kan worden door een fotografische sensor. |
Afstand van het object
Bij fotografie is vooral de eerste situate van toepassing. Naargeland het onderwerp dichter (paars) of verderaf gelegen is (groen) zal het groter of kleiner geprojecteerd worden. Maar ook het vlak waarop het beeld scherp is (focusvlak) verplaatst zich. Bij het scherpstellen op een onderwerp, wordt niet de sensor verplaatst (ten opzichte van de lens), maar de lens wordt verplaatst (ten opzichte van een vast gemonteerde sensor). Onderwerp op ∞ |
Praktijk
|
In het kort:
|
De bolle lens (convexe of positieve lens) werkt convergerend. Evenwijdige lichtstralen (zoals die van de zon of van ieder onderwerp op een zeer grote afstand) worden samengebundeld in het brandpunt of focaal punt (F). De formule om de brandpuntsafstand () te bepalen heet de “lenzenmakers formule” (lensmaker's equation)
Lichtstralen worden afgebogen omdat ze de glasoppervlakte schuin raken. Omdat de lens gebogen is gedraagt de lens zich lokaal als een kleine prisma. In zijn geheel is de lens een oneindig aantal prisma's