Zone System — Ansel Adams


Fotografie » TechTalk » Historiek » Zone System

Het Zone System is ontworpen om met de beperkte middelen van de fotografie (in het bijzonder de beperkte dynamiek) toch foto's te nemen waarin zowel de donkere als de heldere partijen duidelijk zichtbaar zijn.

Origineel zone system

Het Zone System is ontworpen voor negatiefplaten die onafhankelijk van elkaar ontwikkeld konden worden. Vòòr Ansel Adams had iedere fotograaf zijn eigen systeem, gebaseerd op de persoonlijke ervaring.

Zones

Ansel Adams gebruikt een schaal van nul tot 9 om de mogelijke helderheden weer te geven.

  De meest zwarte delen van een beeld zijn op niveau nul. Dit niveau komt in de praktijk niet voor en ook fototoestellen kunnen dit niveau niet verwerken. Door flares (interne reflekties in de lens) komt er altijd een beetje licht op de film. Delen van het beeld die in zone nul zitten kunnen niet onderscheiden worden van delen van het negatief die niet belicht zijn. Een negatief die delen in zone nul zou hebben is onderbelicht. Het Zone System gebruikt daarom zone nul niet. De zones worden met Romeinse cijfers aangeduid, en er bestaat geen cijfer voor “nul”.
I Dit is in de praktijk het grondniveau. Op een negatief (dat een grotere belichtingslatitude heeft dan een afdruk) kan je het verschil zien met delen van de film die niet belicht zijn geweest (afgedekt waren). Op een afdruk komt dit overeen met zwart, zonder struktuur.
II Donkere delen van het beeld. Op een afdruk is struktuur zichtbaar (men ziet bijvoorbeeld het verschil met zone I), maar geen detail
III Schaduwpartijen in beeld. Op een afdruk zijn de fijnste details zichtbaar
IV Aangeraden waarde voor blanke huid in de schaduw
V Medium grijs, de helderheid komt overeen met die van een 18% grijskaart
VI Aangeraden voor blanke huid in zonlicht
VII Heldere elementen van het beeld die nog details moeten bevatten: zeer blanke huid, zand, wolken
VIII Zeer heldere elementen van het beeld. Er is nog struktuur te zien, maar geen details: sneeuw, heldere wolken bij zonnig weer
IX Meest heldere elementen van het beeld: lichtbron, zonlicht. Op een afdruk is er niets van het onderwerp te zien (volledig wit).

Monitor controle: als je zone nul van zone I, of zone VIII van zone IX niet kan onderscheiden, dan moet je het verloop van je monitor controleren (calibratie).

Iedere trap komt ongeveer overeen met een verdubbeling van de lichtintensiteit, en dus ook overeen met een "stop" bij het belichten van het beeld.

Visualisatie
“Expose for shadows, process for highlights”

Het systeem van Ansel Adams is gebaseerd op een visualisatie van de uiteindelijke afdruk. Vòòr het indrukken van de ontspanderknop moet de fotograaf weten hoe het beeld er moet uit zien. Hij gaat elementen van het beeld in de verschillende zones plaatsen: een wandelpad in de schaduw in zone III, akkerland in zone V, de witte muur van een huis in de schaduw in zone VII (dezelfde muur in de zon in zone VIII), enz.

Het is het vermelden waard dat Ansel Adams het altijd heeft over een "blanke huid". Negers werden in die tijd niet gefotografeerd. Ze zijn een element van de achtergrond (zone III).

Bij een negatief zijn de donkere delen van het beeld belangrijk.

We gaan er dus voor zorgen dat de donkerste delen van het beeld die nog duidelijke details moeten hebben in zone III terecht komen. Dit doen we door een spotmeting (gereflekteerd licht) van bijvoorbeeld een mooi wandelpad in de schaduw. De lichtmeter zal bijvoorbeeld een keuze voorstellen: ƒ/4 bij 1/125. De lichtmeter zal echter onze wandelpad in zone V proberen te zetten, terwijl omze pad eigenlijk in zone III hoort. Dus twee stops onderbelichten: op het fototoestel ƒ/8 bij 1/125 (of ƒ/4 bij 1/500 of ƒ/5.6 bij 1/250) instellen. We controleren of het akkerland in zone V ligt (we veronderstellen dat dit deel van het beeld het belangrijkste element is). De meter zou moeten aangeven ƒ/8 bij 1/125. En nu een laatste controle: de witte muur van de hoeve zou in zone VII of VIII moeten gesitueerd zijn. Voilà!

Wat nu als ons landschap weinig contrast bevat? Er is geen zon, de witte muur is grijs,... (Of andersom: er ligt nog wat sneeuw in het landschap en de zon is fel) We belichten nog altijd om de donkere delen in beeld correct te belichten, maar gaan de ontwikkeling aanpassen om het contrast te verhogen. Dit kan door de ontwikkeling langer te laten gebeuren en/of door het bad meer te schudden. Normaal wordt het bad gedurende 5 seconden om de 30 seconden geschud. Als we het bad gedurende 10 of 15 seconden schudden, dan zal het negatief meer contrast bevatten. Indien er weinig geschud wordt, dan blijven de afbraakprodukten van de ontwikkeling in de buurt van de heldere beeldelementen (donker negatief) en dit vermindert de reaktiesnelheid, waardoor het donker worden tegen gehouden wordt. Door het schudden worden de afbraakprodukten weggespoeld en heeft het negatief een hoog contrast. De manier van ontwikkelen heeft weinig invloed op de donkere delen van het beeld (heldere delen van het negatief).

Vandaar ook de uitdrukking bij negatiefontwikkeling: “Expose for shadows, process for highlights”: zorg dat de donkere delen van het beeld correct belicht worden, en corrigeer achteraf de heldere delen tijdens de ontwikkeling van het negatief.


Aanpassingen

Ondertussen gebruikt men al lang geen negatiefplaten meer, maar filmrollen, waarbij de volledige film in één keer ontwikkeld wordt (amateur-ontwikkeling). Bij individuele filmontwikkeling kan men nog steeds het contrast van een film verhogen door het ontwikkelbad sterker te schudden, of de filmgevoeligheid verhogen door de film langer te ontwikkelen.

Bij ontwikkelcentrales worden alle films automatisch aan elkaar gekleefd en gaan ze het bad in voor een identieke tijd.

Negatieffilm heeft het voordeel dat het een hoge belichtingslatitude heeft: het kan meestal één stop onderbelicht worden zonder dat de details in de donkere partijen totaal verdwijnen, en het kan twee stops overbelichting opvangen. De details zitten in het negatief, kwestie is van ze eruit te halen. Wat men niet meer kan doen door de individuele ontwikkeling van de negatiefplaten, moet men doen bij het maken van afdrukken.

Fotogevoelig papier (voor de uiteindelijke afdrukken) is beschikbaar in verschillende “grades” of contrastniveau's. Voor een negatief met een sterk contrast zal men grade 1 gebruiken, terwijl voor een beeld dat weinig contrast bevat zal men werken met papier van grade 3 (er bestond vroeger papier met een nog hogere grade, dat gebruikt werd voor speciale toepassingen zoals unsharp mask). Tegenwoordig is fotogevoelig papier zoals motor-olie, het bestaat enkel nog in multigrade, waarbij men het contrast instelt door een kleurfilter te gebruiken in de vergroter (zie het maken van afdrukken).

Het is belangrijk te weten dat een afdruk een lagere dynamiek heeft dan een negatiefstrook. Bij het maken van een afdruk worden den helderste en donkerste delen van het beeld samengedrukt zodat de midtones meer belang krijgen. Wenst men alle gradaties van een negatief, dam moet men papier gebruiken met een zeer laag contrast. Het beeld zal dan flets zijn, en dit is meestal niet wat de fotograaf wenst.

Bij het gebruik van filmrollen blijft de slagzin "Expose for shadows, process for highlights" van kracht: de film moet een minimale belichting ontvangen hebben, terwijl de helderheid van de heldere beeldelementen aangepast kan worden door het contrast bij de afdruk in te stellen.

Diapositief film werkt echter totaal anders. Door de manier van ontwikkelen keert de gevoeligheidscurve volledig om: de helderste delen van het beeld hebben de neiging geen sporen meer achter te laten op de filmstrook. De film is zogezegd "washed out". Samen met het feit dat film een minimale belichting moet hebben zorgt dit ervoor dat de belichtingslatitude van positief film heelwat beperkter is. Bij de ontwikkeling kan het contrast slecht beperkt bijgeregeld worden. Als de fotograaf alle nuances uit een contrastrijk beeld wenst op te slaan, dan zal hij negatieffilm gebruiken.


Digitale wereld

Een gemiddelde sensor heeft ongeveer dezelfde bruikbare dynamiek als het originele Zone System. De 8 bruikbare niveau's van het Zone System (bij ieder niveau ongeveer een verdubbeling van de lichtintensiteit) komen overeen met de 8 bits helderheid van het JPEG formaat (kan men hier echt van een toeval spreken? Weer de schuld van de Illuminati).

Bij het digitaliseren wordt het signaal van de sensor aangepast (logaritmische curve) om het meer te doen lijken op wat wij gewoon zijn: zowel onze ogen als de gevoelige film hebben een soort logaritmisch verloop (zie dynamisch bereik).

Bij digitale sensoren geldt het omgekeerde motto: “Expose for highlights, process for shadows”. Heldere delen van het beeld worden gemakkelijk overstuurd, terwijl men achteraf de foto kan bijwerken om de donkere delen correct weer te geven (voor zover ze niet teveel in de ruis zijn verdwenen). Hier zal men dus de heldere delen van het beeld (bijvoorbeeld een gezicht) in zone VI plaatsen (weinig kans op oversturing), en dan achteraf het digitaal negatief bijwerken. In de praktijk betekent dit:

Om volgens het Zone System te kunnen werken moet het digitaal fototoestel een spot-meting kunnen uitvoeren (doorgaans is dat 3 à 5% in het midden van het beeld) en het beeld kunnen over- of onderbelichten.

In plaats van Expose for higlights, process for shadows zal men vaker de modernere kreet tegenkomen

ETTR !
Oftewel Expose To The Right: dit heeft te maken met het controleren van de correcte belichting met de histogram die men op het LCD schermpje van het fototoestel kan oproepen.
Het Zone System werd ontworpen in 1941 en was oorspronkelijk bedoeld voor fotografen die met filmplaten werkten. Filmplaten kunnen individueel ontwikkeld worden in tegenstelling met filmrollen, waarbij alle afbeeldingen op de rol een zelfde tijd in de ontwikkelaar onderdompeld moeten worden. Eigenlijk kwam Ansel Adams te laat met zijn systeem, want de toestellen met filmrollen werden meer en meer gebruikt.

Wat is het probleem?

Als er een systeem ontwikkeld wordt, dan is het om een probleem op te lossen. Maar wat is eigenlijk het probleem?

De bedoeling van de fotografie is de werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven. In die tijd nog hoofdzakelijk in zwart/wit, hoewel er reeds in kleur opgenomen kon worden.

Een beeld kan veel of weinig contrast bevatten. Een beeld met veel contrast kan het medium "oversturen", waardoor er delen van het beeld als zwart of wit weergegeven worden. Daartegenover gebruikt een beeld met weinig contrast niet alle mogelijkheden van de filmemulsie: alle tinten zitten tegen elkaar, het beeld is flets.

Ansel Adams was een control freak avant-la-lettre. In verschillende documenten beschreef hij minutieus de verschillende stappen bij het nemen van een foto, het ontwikkelen van het negatief en het maken van afbeeldingen.


Een foto uit mijn jeugd,
met aanduiding van de verschillende zones.

Gelukkig dat Adams niets vermeld over compositieleer in zijn Zone System!


Film wordt in één keer ontwikkeld

De film wordt in het absolute duister uit de filmkoker gehaald en op de spoel gewikkeld, en dan in de ontwikkelbad geplaatst.

Bij ontwikkelcentrales worden opeenvolgende films aan elkaar gekleefd en gaan alle films achter elkaar in dezelfde baden gedurende eenzelfde tijd.


Iedere zone van het zone system van Ansel Adams komt overeen met een verdubbeling van de lichtintensiteit. Men kan dus de relatieve helderheid van de verschillende beeldelementen "meten" met het fototoestel, door die in spot-metering te zetten en een lichtmeting te doen op de verschillende elementen.
Gooi die gsm dus weg, en koop een echt fototoestel!

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren