|
Het Zone System is ontworpen om met de beperkte middelen van de fotografie (in het bijzonder de beperkte dynamiek) toch foto's te nemen waarin zowel de donkere als de heldere partijen duidelijk zichtbaar zijn.
|
Ontstaan
|
Het Zone System werd ontworpen in 1941 en was oorspronkelijk bedoeld voor fotografen die met filmplaten werkten. Filmplaten kunnen individueel ontwikkeld worden in tegenstelling met filmrollen, waarbij alle afbeeldingen op de rol een zelfde tijd in de ontwikkelaar onderdompeld moeten worden. Eigenlijk kwam Ansel Adams te laat met zijn systeem, want de toestellen met filmrollen werden meer en meer gebruikt.
Wat is het probleem?De bedoeling van de fotografie is de werkelijkheid zo natuurgetrouw mogelijk weer te geven. In die tijd nog hoofdzakelijk in zwart/wit, hoewel er reeds in kleur opgenomen kon worden. Een beeld kan veel of weinig contrast bevatten. Een beeld met veel contrast kan het medium "oversturen", waardoor er delen van het beeld als zwart of wit weergegeven worden. Daartegenover gebruikt een beeld met weinig contrast niet alle mogelijkheden van de filmemulsie: alle tinten zitten tegen elkaar, het beeld is flets. Ansel Adams was een control freak avant-la-lettre. In verschillende documenten beschreef hij minutieus de verschillende stappen bij het nemen van een foto, het ontwikkelen van het negatief en het maken van afbeeldingen. |
Origineel ontwerp
Het Zone System is ontworpen voor negatiefplaten die onafhankelijk van elkaar ontwikkeld konden worden. Vòòr Ansel Adams had iedere fotograaf zijn eigen systeem, gebaseerd op de persoonlijke ervaring.
Zones
Monitor controle: als je zone nul van zone I, of zone VIII van zone IX niet kan onderscheiden, dan moet je het verloop van je monitor controleren (calibratie). Iedere trap komt ongeveer overeen met een verdubbeling van de lichtintensiteit, en dus ook overeen met een "stop" bij het belichten van het beeld.
VisualisatieHet is het vermelden waard dat Ansel Adams het altijd heeft over een "blanke huid". Negers werden in die tijd niet gefotografeerd. Ze zijn een element van de achtergrond (zone III). Bij een negatief zijn de donkere delen van het beeld belangrijk. Vanwege het logaritmisch karakter van film kan men nog details halen uit overbelichte delen (dus een te donkere negatief) door langer te belichten bij het maken van afdrukken. Aan de andere kant is er beneden een bepaalde belichting niets meer te zien op de negatief: film heeft een minimale belichting nodig. We gaan er dus voor zorgen dat de donkerste delen van het beeld die nog duidelijke details moeten hebben in zone III terecht komen. Dit doen we door een spotmeting (gereflekteerd licht) van bijvoorbeeld een mooi wandelpad in de schaduw. De lichtmeter zal bijvoorbeeld een keuze voorstellen: /4 bij 1/125. De lichtmeter zal echter onze wandelpad in zone V proberen te zetten, terwijl omze pad eigenlijk in zone III hoort. Dus twee stops onderbelichten: op het fototoestel /8 bij 1/125 of /4 bij 1/500 of /5.6 bij 1/250 instellen. We controleren of het akkerland in zone V ligt (we veronderstellen dat dit deel van het beeld het belangrijkste element is). De meter zou moeten aangeven /8 bij 1/125. En nu een laatste controle: de witte muur van de hoeve zou in zone VII of VIII moeten gesitueerd zijn. Voilà! Wat nu als ons landschap weinig contrast bevat? Er is geen zon, de witte muur is grijs,... (Of andersom: er ligt nog wat sneeuw in het landschap en de zon is fel) We belichten nog altijd om de donkere delen in beeld correct te belichten, maar gaan de ontwikkeling aanpassen om het contrast te verhogen. Dit kan door de ontwikkeling langer te laten gebeuren of door het bad meer te schudden. Normaal wordt het bad gedurende 5 seconden om de 30 seconden geschud. Als we het bad gedurende 10 of 15 seconden schudden, dan zal het negatief meer contrast bevatten. Indien er weinig geschud wordt, dan blijven de afbraakprodukten van de ontwikkeling in de buurt van de heldere beeldelementen (donker negatief) en dit vermindert de reaktiesnelheid, waardoor het donker worden tegen gehouden wordt. Door het schudden worden de afbraakprodukten weggespoeld en heeft het negatief een hoog contrast. De manier van ontwikkelen heeft weinig invloed op de donkere delen van het beeld (heldere delen van het negatief). Vandaar ook de uitdrukking bij negatiefontwikkeling: “Expose for shadows, process for highlights”: zorg dat de donkere delen van het beeld correct belicht worden, en corrigeer achteraf de heldere delen. |
Aanpassingen
Negatieffilm heeft het voordeel dat het een hoge belichtingslatitude heeft: het kan meestal één stop onderbelicht worden zonder dat de details in de donkere partijen totaal verdwijnen, en het kan twee stops overbelichting opvangen. De details zitten in het negatief, kwestie is van ze eruit te halen. Wat men niet meer kan doen door de individuele ontwikkeling van de negatiefplaten, moet men doen bij het maken van afdrukken. Fotogevoelig papier (voor de uiteindelijke afdrukken) is beschikbaar in verschillende “grades” of contrastniveau's. Voor een negatief met een sterk contrast zal men grade 1 gebruiken, terwijl voor een beeld dat weinig contrast bevat zal men werken met papier van grade 3 (er bestond vroeger papier met een nog hogere grade, dat gebruikt werd voor speciale toepassingen zoals unsharp mask). Tegenwoordig is fotogevoelig papier zoals motor-olie, het bestaat enkel nog in multigrade, waarbij men het contrast instelt door een kleurfilter te gebruiken in de vergroter (zie filmontwikkeling). Bij het gebruik van filmrollen blijft de slagzin "Expose for shadows, process for highlights" van kracht: de film moet een minimale belichting ontvangen hebben, terwijl de helderheid van de heldere beeldelementen aangepast kan worden door het contrast bij de afdruk in te stellen. Diapositief film werkt echter totaal anders. Door de manier van ontwikkelen keert de gevoeligheidscurve volledig om: de helderste delen van het beeld hebben de neiging geen sporen meer achter te laten op de filmstrook. De film is zogezegd "washed out". Samen met het feit dat film een minimale belichting moet hebben zorgt dit ervoor dat de belichtingslatitude van positief film heelwat beperkter is. Als de fotograaf alle nuances uit een contrastrijk beeld wenst op te slaan, dan zal hij negatieffilm gebruiken. Bij de ontwikkeling kan het contrast slecht beperkt bijgeregeld worden. |
In de digitale wereld
|
Bij digitale sensoren geldt het omgekeerde motto: “Expose for highlights, process for shadows”. Heldere delen van het beeld worden gemakkelijk overstuurd, terwijl men achteraf de foto kan bijwerken om de donkere delen correct weer te geven (voor zover ze niet teveel in de ruis zijn verdwenen). Hier zal men dus de heldere delen van het beeld (bijvoorbeeld een gezicht) in zone VI plaatsen (weinig kans op oversturing), en dan achteraf het digitaal negatief bijwerken. In de praktijk betekent dit:
|

