|
De opening van een lens geeft aan hoeveel licht er door de lens doorgelaten wordt. Hier leggen we in het kort uit wat de -waarden betekenen.
|
"Rendement" van de lens
Belangrijk bij een lens is zijn maximale opening, hoeveel licht de lens maximaal doorlaat. Een "ideale lens" heeft een diameter van 100% (ten opzichte van de brandpuntafstand), verhouding diameter:brandpuntafstand 1:1, aangeduid als /1. In fototoestellen worden de buitenregioenen van de lens niet gebruikt (er zou teveel vervorming optreden), dus de diameter van de lens moet groter zijn dan zijn brandpuntafstand om een dergelijk hoog rendement te behalen. De lichthoeveelheid die een lens doorlaat hangt af van de oppervlakte van de bruikbare lens, en de verhouding tussen oppervlakte en diameter is kwadratisch. Als je de lens kleiner maakt (diameter 50% of 1/2 geschreven /2), dan is de oppervlakte (en dus de lichtsterkte) tot 25% gedaald. Een lens met een bruikbare diameter van 25% (1/4) wordt aangeduid met /4, en het optisch rendement is nu slechts 6.25%. Rendement > 100%?
-waarden en zoomlenzenVanwege hun construktie laten zoomlenzen minder licht door dan prime-lenzen. Prime lenzen (lenzen zonder zoom) hebben meestal een maximale opening van /1.8, zoomlenzen bijvoorbeeld /4. Meestal wordt er minder licht doorgelaten bij het inzoomen (en dit terwijl er juist méér licht de sensor zou moeten bereiken om bewegingsonscherpte tegen te gaan!). De -indikatie op de lens bevat bij zoomlenzen meestal twee waarden; de maximale -waarde bij breedstand en bij telestand (zie voorbeeld hierboven). Duurdere lenzen hebben een -waarde dat constant blijft over het hele zoombereik. Praktisch: de kitlens EF-S 18-55 /3.5-5.6 heeft een opening van 3.5 bij 18 mm en van /5.6 bij 55mm. Absoluut is dat een diameter van 5.1mm (groothoek) tot 9.8mm (tele-stand). Opgelet: deze diameters zijn ook niet zo "absoluut" als de formule laat uitschijnen: vaak zijn moderne optieken uitgerust met een complex lenzensysteem, waarbij de voorste lens als "vergrootglas" dienst doet en de opening schijnbaar vergroot. In plaats van te werken met de diafragma-opening gebruikt men de intredepupil (dit is eigenlijk een afbeelding van de diafragma door de voorste lenzen). In de praktijk situeert de effectieve opening zich tussen de fysieke opening en de diameter van de voorste lens. Een zoomlens met een vaste maximale opening (constant aperture lens, bijvoorbeeld de Canon EF 70-200 /2.8) "speelt" met de afmeting van de intredepupil om de -waarde constant te houden over het volledig zoombereik. Waarom de opening instellen?
|
-waarden
Diafragma waarden worden uitgedrukt in -reeksen, waarbij iedere volgende waarde een halvering van de lichtintensiteit voorstelt; een opening van /4 geeft tweemaal zoveel licht door als een opening van /5.6. Het rendement verschilt heelwat meer dan de nietzeggende cijfers laten vermoeden:
Dit kan je ook op een lichtmeter aflezen:
|
Dichtdraaien van de lens
|
In het algemeen geeft een lens op zijn maximale opening niet het meest scherpe beeld (dit geldt voor de meeste lenzen, behalve voor de Canon 70-200 /4 L USM en de EF 24-105 /4 L IS USM). Een lens dat /2.8 aankan gebruik je dus best op /4 als je de scherpste beelden wenst (door de iris of diafragma-opening te verkleinen). Overigens komt er een punt waarbij je geen winst meer boekt: bij kleine openingen (vanaf /8) wordt het beeld opnieuw minder scherp ten gevolge van diffraktie: eerst zeer geleidelijk, maar vanf /22 is het effekt uiterst merkbaar.
![]() Bij zeer kleine openingen neemt de diffractie de bovenhand en zijn de foto's minder scherp.
Een conclusie, misschien?Waarden boven de /4 zijn echter ook weinig interessant: de lens laat weinig licht door en je kan niet spelen met de scherptediepte. Dergelijke hoge -waarden zijn meestal een teken dan de lens niet echt kwalitatief is (behalve indien je met een 500mm tele afkomt). |




Sluitertijd om eenzelfde belichting te bekomen: