Fotografie

Commerciële drukprocédés


Fotografie » Digitale doka » Drukprocédés II Op deze pagina toon ik enkele voorbeelden van machines die gebruikt worden in drukkerijen. De algemene procédés worden op de eerste pagina drukkerijen behandeld (hoogdruk, vlakdruk, diepdruk en zeefdruk).

Andere drukprocédés

Alcoholduplicator (roneo)

De alcoholduplicator (merknaam: “roneo”) is geen drukprocédé. Men gebruikt soms de verkeerde naam alcoholstencil, terwijl een stencil een zeefdruk is.

Bij de voorbereiding wordt de inkt overgebracht van een speciaal vel (hectografisch papier) naar een master. Men kan daarvoor een gewone schrijfmachine gebruiken. Tekeningen zijn ook mogelijk, en dit lukt zelfs beter dan met een klassieke stencil. De master wordt vervolgens in de duplicator geplaatst. Het te drukken vel wordt vochtig gemaakt met alcohol en neemt een deel van de inkt op. Na verloop van tijd is alle inkt opgebruikt en worden de copiën minder en minder zichtbaar (men kan ongeveer 200 copiën maken met een alcoholdpulicator). Een pluspunt van de roneo is dat er met meerdere kleuren gewerkt kan worden.

De alcoholduplicator werd vaak in scholen gebruikt vanwege zijn eenvoud, maar werd langzamerhand verdrongen door de stencil die meer afdrukken mogelijk maakte.


Laserprinter en inkjet

Laserprinters en inkjet die bij de consumenten gebruikt worden zijn geen echte drukprocédés (voor het maken van talrijke afdrukken). Deze printers gaan maar een paar duizenden afdrukken mee, dan begint de papierdoorvoer te haperen. Deze machines zijn ook niet ontworpen om lang mee te gaan, in tegendeel.

Inkjet wordt in de industrie gebruikt om supersnel extra gegevens op een voorwerp te drukken (bijvoorbeeld vervaldatum of serienummer). Men gebruikt geen klassieke inktjet met talrijke mondjes, maar één enkele inktspuit, waarbij de inkt electrostatisch verticaal afgebogen wordt om de tekens te vormen. Dit is goed te zien aan de puntjes die niet op een lijn zitten, zie voorbeeld rechts. Sommige printers hebben een beperkt aantal spuitmonden en geen electrostatische afbuiging.

Professionele laserprinters worden tegenwoordig ook gebruikt in drukkerijen om snel een proefdruk te maken of om smoutwerk te realiseren (gelegenheidspublicaties) zoals briefpapier, visitekaartjes, reklamefolders, enz. Zo vermijd men het maken van een dure master. KLeur is hier ook mogelijk.


Offset

Aan de andere kant werden er vroeger offsetprinters gebruikt bij bedrijven, bijvoorbeeld om prijslijsten te drukken en dergelijke. Faktuurpapier en briefpapier werd uitbesteed aan drukkerijen, maar kleine series werden zelf in huis gedrukt op een offsetprinter.

De offsetprinter vervulde eigenlijk de funktie van laserprinter in de jaren 1960 - 1970. Een goedkoper alternatief op de offsetprinter was de stencil, met een wat lagere afdrukkwaliteit, maar eenvoudiger in het gebruik.

Offsetprinters waren er in alle maten en formaten: het is een systeem die zich goed leent voor kleine series (smoutwerk) en voor grote oplages (drukken van dagbladen). De eerste afbeelding rechts is die van een kantoor-offsetprinter, de tweede offsetprinter wordt in drukkerijen gebruikt (twee kleuren). Men merkt de talrijke rollen om het water en de inkt te verdelen, een kenmerk van de offset. Er is één gemeenschappelijke drukcylinder.

Offset is een vlakdrukprocédé en wordt besproken op de eerste pagina.


Linotype, Intertype en Monotype

De linotype was een zetmachine die gebruikt werd in drukkerijen waar dagbladen gedrukt werden. De tijdschriften werden in hoogdruk gedrukt met loden letters (men gebruikte geen zuiver lood, maar men voegde er verschillende metalen aan toe om het lood harder te maken).

De linotype heeft bovenaan een magazijn met alle mogelijke letters (90 letters maximaal). Om van lettertype te veranderen plaatste men een andere magazijn. Het was ook mogelijk manueel speciale tekens in te voeren. Deze letters waren uit een koperlegering gemaakt om zo lang mogelijk mee te gaan.

De operateur gaf zijn tekst in op een speciaal toetsenbord, met links de kleine letters, in het midden de cijfers en speciale tekens en rechts de hoofdletters. Er was geen "shift" toets, de shift-toets, als je die zo mag noemen, werd gebruikt om te schakelen tussen normaal en vet of cursief (iedere letter in het magazijn kon normaal of vet/cursief drukken).

De spatiebalk stond uiterst links en daarmee werd er een speciaal karakter ingevoegd, een karakter die breder of smaller kon worden, en zo de tekst automatisch kon justifiëren.

Bij iedere toetsaanslag viel de juiste letter uit het magazijn op zijn plaats. Als de regel vol was, werd er in één keer een loden afgietsel gemakt van de regel. Iedere regel werd in een houder geplaatst en de gebruikte koperen letters werden opnieuw naar de juiste plaats in het magazijn gestuurd.

Het was ook mogelijk een tekst in te voeren via een ponsbandmachine. De teksten werden zo van de redaktie doorgestuurd via de telefoonlijn of telexlijn, direct naar de drukkerij die soms in een andere stad gelegen was.

Het was niet mogelijk verschillende lettertypes te gebruiken op één regel, en de operatoren probeerden het aantal lettertypes in een document te beperken, want dit betekende dat er een ander magazijn in de machine geplaatst moest worden, met tijdsverlies als gevolg.

De linotype zat vol vernuftige systemen, zoals het automatisch uitvullen (justifiëren) van de regels, het automatisch sorteren van de gebruikte letters, enz. De letters waren toen proportioneel, wat een verschil was met de gewone schijfmachines. Een mooi youtube video legt het allemaal uit.

Linotype had bijna al zijn concurrenten opgekocht en van de markt gehaald (enkel Intertype bleef over), waardoor alle machines op de markt een beetje op elkaar leken. Enkel het toetsenbord (en de beschikbare letters) was aangepast aan de lokale markt.

Maar de linotype had bepaalde beperkingen, het was bijvoorbeeld niet mogelijk te veranderen van stijl op één regel (behalve de overgang van normaal naar vet of naar cursief van dezelfde lettersoort). De letters konden ook geen overhang hebben (kerning), de witruimte tussen de letters van een woord was niet mooi verdeeld.

De Monotype werkt ongeveer op dezelfde manier, maar hier worden de letters individueel gegoten en niet meer regel per regel. Er zijn twee aparte machines voor het ingeven van de tekst en het gieten van de letters. De data-overdracht tussen beide machines gebeurt met een ponsband.

Dankzij de hoge snelheid en het gemak van de linotype werd die vooral gebruikt voor dagbladen, terwijl de monotype eerder gebruikt werd voor boeken.

De Intertype (laatste foto rechts) staat opgesteld in het museum van de Bois du Cazier.


Kleur

Kleurafdrukken zijn mogelijk, waarbij men vaak met quadrichromie werkt (vierkleurendruk). De gebruikte kleuren zijn cyan, magenta, geel en zwart. Met een combinatie van deze heldere kleuren zijn nagenoeg alle kleuren te reproduceren. Zwart wordt gebruikt voor teksten of om zwarte delen van foto's meer contrast te geven.

Bepaalde machines kunnen extra kleuren printen, bijvoorbeeld orange en groen (hexachromie) omdat deze kleuren moeilijk te reproduceren zijn met normale vierkleurendruk. De kleuren die gebruikt worden zijn zogenaamde processkleuren: men gebruikt een raster om de kleuren te mengen tot de gewenste tint.

Steunkleuren zijn specifieke kleuren die zuiver gebruikt worden (men gebruikt de benaming spot color). Deze worden gebruikt om een logo scherp en zuiver weer te geven (geen raster en geen kleurmenging), maar er zijn ook steunkleuren die specifieke eigenschappen hebben (fluo kleuren, metaalglans kleuren, magnetische inkt, enz).

Een tussenvorm tussen foto en schilderij is de photochrome. Het is de eerste methode om kleurafdrukken te bekomen op een ogenblik dat de emulsies nog niet kleurgevoelig waren, zie link voor meer informatie.

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren