Historiek kleurfotografie


Fotografie » TechTalk » Film » Ontwikkeling » Kleur - historiek

De eerste systemen van kleurfotografie zijn gebaseerd op de klassieke zwart-wit filmontwikkeling, waarbij men kleurfilters gebruikte.

De eerste pogingen om kleur-afdrukken zijn gebaseerd op de gomdruk (gomme bichromatée). Dit was een arbeidsintensief procédé dat verdrongen werd door het Autochome procédé.

Autochrome
(AKA: potatochrome)

De eerste kleurenafdrukken dateren van het begin van de 20ste eeuw (Autochrome Lumière) en zijn gebaseerd op de klassieke monochrome fotografie. De gevoelige plaat bestaat uit meerdere lagen: de voorste laag is een glazen plaat dat zowel als drager en als bescherming dient (deklaag op afbeelding). De volgende laag is een harslaag waarin miljoenen gekleurde zetmeelkorrels gedrukt worden. De kleuren orange, groen en violet worden apart bereid en dan samengemengd (andere kleuren zijn mogelijk en men is niet beperkt tot 3 kleuren). Deze zetmeelkorrels hebben een doorsnede van 5 à 10µm. Daarop volgt een doorzichtige laklaag om de zetmeelkorrels te beschermen. De uiteindelijke laag is de fotogevoelige laag. Het plaatje wordt belicht vanaf de glaskant; de zetmeelkorrels werken als microscopische kleurfilters. De ontwikkeling is positief. De foto wordt door transparantie bekeken zoals een dia.

Het Autochrome procédé was redelijk eenvoudig toe te passen door amateurs en werd gebruikt gedurende een 30-tal jaren. Dezelfde produkten konden namelijk gebruikt worden bij de ontwikkeling. De kleuren zijn natuurgetrouw maar een beetje flets en de heldere delen van het beeld kunnen een veranderlijke kleurzweem bevatten. De resolutie was echter beperkt door de afmetingen van de zetmeelkorrels.

De glazen plaat werd uiteindelijk vervangen door een film (onder de naam Lumicolor). Het maken van kleur-duplikaten was niet mogelijk. De daaropvolgende kleurenfilms (Kodachrome, Agfacolor, Cibachrome) konden niet meer door de amateur ontwikkeld worden.

Ook Agfacolor heeft een gelijkaardig systeem ontwikkeld (in gebruik van 1932 tot 1936) waarbij geen zetmeelkorrels gebruikt worden, maar microscopisch kleine gekleurde oliedruppels.

Paget

Bij dit systeem worden er twee glasplaten gebruikt, een normale fotogevoelige glasplaat en een gekleurde rooster (zie Dyfaycolor hieronder). De gevoelige laag en het kleurrooster worden tegen elkaar geplaatst.

Het verschil met de andere systemen is dat hier het rooster los is van de emulsie. het rooster wordt voor alle opeenvolgende opnames gebruikt en wordt apart verkocht. Na ontwikkeling lijkt het negatief op een gewone zwart-wit negatief, maar met een duidelijke roosterstruktuur op plaatsen die felle kleuren bevatten. Men kan het negatief zelfstandig ontwikkelen zonder rekening te moeten houden met het fragiele rooster.

Afdrukken worden gemaakt door contactdruk indien men de kleur wilt terugwinnen. Na de ontwikkeling wordt een kleurraster over de foto gedrukt en worden de kleuren opnieuw zichtbaar.

Het voordeel is dat de ontwikkeling gemakkelijker kan plaatsvinden. Men kan zowel afdrukken op papier maken, als positieve glasplaten. Men kan de vermindering van lichtgevoeligheid beperken door een heldere kleurfilter te gebruiken bij het origineel (zodat er meer licht door kan). Bij de afdruk kan men meer gesatureerde kleuren gebruiken.

Een nadeel is dat de kleuren minder nauwkeurig gedefinieerd zijn (veroorzaakt door registratiefouten, dus een fout in de plaatsing van het kleurrosster). De toen gebruikte pigmenten bleken van slechte kwaliteit en veel foto's uit die tijd hebben hun natuurlijke kleuren verloren.

Dit systeem dat in 1913 uitgevonden werd werd vooral in het interbellum gebruikt. De enige kleurfoto's van de eerste wereldoorlog zijn met dit procédé gemaakt.

Dufaycolor

Dufaycolor is een verbetering van de Autochrome. De zetmeelkorrel hadden namelijk de neiging zich in hoopjes te verzamelen. Bij bewegende beelden was de veranderlijke struktuur van de zetmeelkorrels uiterst storend. Er wordt gewerkt met een fijnmazelig kleurraster, in feite drie fijne gekleurde banden die onder een hoek over elkaar gelegd worden (réseau). Het werd vooral gebruikt in de filmindustrie voor de tweede wereldoorlog. Het systeem was goedkoper dan de technisch complexe Kodachrome en Technicolor (en gaf betere beelden dan de eerste Technicolor-versies).

Een eigenschap van deze systemen is dat het additieve kleuren gebruikt; het resultaat daarvan is dat de filmgevoeligheid 3 keer lager is dan zwart-wit film. De moderne sensoren met hun Bayer filter (CFA = color filter array) "verliezen" eveneens heelwat licht door die kleurenmatrix. Deze sensoren worden in nagenoeg alle digitale fototoestellen gebruikt.

Om het verlies aan gevoeligheid wat te compenseren worden er kleurfilters met een zacht verloop gebruikt, waardoor de kleuren weinig gesatureerd zijn. Het effekt is aanwezig bij alle procédés waarbij er met korrels of rasters gewerkt wordt.

Polavision en Polachrome

Ook het systeem van Polaroid om direct positieve beelden te ontwikkelen maakt gebruik van het additief systeem, het enig systeem dat eenvoudig genoeg was om in één handeling ontwikkeld te worden (de emulsie was immers monochroom).

Dit was de Polavision (8mm amateur bioscoopfilm) en Polachrome (verschillende emulsies voor diapositieven).


Kleurenmozaïek en raster


Dufay Color


Zacht verloop van de kleurfilters

Alle kleurprocédés op een rijtje
(historische procédés)

Lees verder:
de positieve kleurontwikkeling
(diapositieven volgens het E-6 of K-14 procédé)
en negatieve kleurontwikkeling
(C-41) voor het maken van afdrukken.

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren