Lightpainting


Fotografie » TechTalk » Shooting Days » FAQ » Lightpainting

Bij lightpainting gebruikt men een zeer lange sluitertijd en wordt er met licht geschreven.

Er wordt soms aan lightpainting gedaan zonder het te beseffen: het fotograferen van autosnelwegen met een lange sluitertijd is een vorm van lightpainting. Maar in principe om echt van lightpainting te kunnen spreken moet de fotograaf (of zijn assistent) een bewuste handeling doen in beeld. Een foto met een lange sluitertijd is niet noodzakelijk lightpainting.

De eerste voorbeelden van lightpainting dateren van de jaren 1940. Een aantal fotografen (en zelfs schilders) deden mee aan die nieuwe trend. Lightpainting bereikt een summum in de jaren 1970. Lightpainting bestaat dus reeds van voor de komst van de digitale fotografie, maar het is dankzij de digitale fototoestellen dat het resultaat direct bekeken kan worden.

De bekendste vorm van lightpainting (letterlijk 'schilderen met licht') is waarbij een lichtbron voor de lens bewogen wordt. Er wordt zo een vorm getekend, die achteraf op de foto zichtbaar zal zijn. Het is belangrijk dat de lichtbron met een constante beweging verplaatst wordt, en dit vraagt enige ervaring.

Een andere methode (zie foto drie) is een kleine lichtbron op een touw te bevestigen en de touw te laten draaien. Bij het slingeren met de touw gaat de operator ook rond zijn as draaien. Het tweede object is een fietswiel in beweging waarop een led gemonteerd staat. Dankzij de lange sluitertijd is de achtergrond ook zichtbaar, en dit geeft een speciaal effekt.

Men kan ook een onderwerp met een taslamp belichten, waarbij men over de contouren gaat. Heet veel voorwerpen kunnen zo belicht worden. Deze vorm van fotograferen kan gerust binnenshuis toegepast worden.

Het volgend voorbeeld is een toepassing van de open flash fotografie, een systeem dat in de begintijd van de fotografie toegepast werd om grote ruimtes te belichten met verschillende flitsers die door meerdere assistenten bediend werden. De emulsies waren niet echt lichtgevoelig en de optieken niet lichtsterk. Om een voldoende belichting te bekomen moest men de flitsers een aantal keren laten afgaan in de verschillende hoeken van de ruimte (het waren toen magnesiumflitsers).

Deze techniek werd gebruikt om grotten te fotograferen. In dit voorbeeld wordt een loods verlicht door open flash fotografie.

Het is ook mogelijk het fototoestel bewust te bewegen tijdens de foto. Dit zijn "artistieke" foto's, en we gaan daar niet verder op in.

In de praktijk

Om te beginnen zal je een stevige professionele statief nodig hebben die het toestel kan stabiliseren, zelfs als er wind is. Dit is minder belangrijk als je enkel lichtslierten fotografeert, maar van zodra er iets van de achtergrond zichtbaar is, is een degelijk statief noodzakelijk.

Een afstandsbedining om het fototoestel te laten afgaan is handig (zeker als je alléén bent), maar je moet geen kosten maken: met de timer-funktie van het fototoestel bekom je dezelfde functionaliteit.

Begin met een test-foto zonder lichteffekten. Zo kan je de optimale belichting bepalen zodat de achtergrond voldoende donker is, zonder volledig zwart te zijn.

Blijf niet stilstaan voor de camera: daardoor ontstaat er een grijze massa. Blijf constant in beweging en plaats je niet tussen de lichtbron en de lens (als het de bedoeling is dat het lichtpunt gebruikt wordt om figuren te tekenen). Alle mensen die aktief meedoen voor het fototoestel moeten zwarte kleren dragen.

Lichtbronnen

Als lichtbron kan je kleine taslampen gebruiken, ofwel om het onderwerp lokaal te belichten, ofwel om in de lucht te schijnen, waarbij de lamp dan zichtbaar wordt als een lijn of een veeg. Schijn niet direct naar de lens, het enige wat je bekomt is een contrastvermindering door interne reflekties in de optiek zelf (sterke flares in beeld).

Bewegende onderwerpen (mensen) niet belichten met een taslamp (ze zullen niet scherp zijn). Indien je ze wilt vastleggen, gebruik dan een kleine manuele flitser die een korte lichtpuls geeft.

Je kan een laserpen gebruiken om op een muur te schrijven terwijl die gefotografeerd wordt.

Indien je een onderwerp belicht, zorgt dan dat de lichtbron niet zichtbaar is op de foto. Belicht het onderwerp langs de zijkant en gebruik een scherm om te verhinderen dat licht naar het fototoestel gaat. De lichtbron altijd bewegen, zelfs om één enkele plek langer te belichten.

Je hebt een grote keuze aan lichtbronnen. Led-lampjes hebben de voorkeur omdat ze stevig zijn en een lichtpunt vormen. Het verbruik is miniem en de leds kunnen met een knoopcel gevoed worden. Er is zelfs geen weerstand nodig, want de stroom die een knoopcel kan leveren is beperkt. Leds bestaan er in verschillende kleuren, maar het fototoestel is niet even gevoelig voor alle kleuren.

Een aantal ledlampen geeft een pulserende lichtstroom, dit gebeurt bijvoorbeeld met de rode achterlichten van auto's. Door de puls:pauze verhouding aan te passen dienen de lampen ofwel voor stoplichten, ofwel voor standlichten.

Staalwol is een klassieker bij lightpainting. Bevestig een prop op een keukenklopper (garde) en laat het geheel draaien. Opgelet: de brandende deeltjes die zo belangrijk zijn voor de foto kunnen ook brand veroorzaken. Werk niet met staalwol als je geen brandblusser mee hebt!

Een vlammenmuur is ook een leuke verschijning maar vraagt wat meer materiaal. Het wordt vaak gebruikt om een halve cirkel rond een auto te tekenen. Gebruik een toorts of een fakkel en verplaats de toorts van boven naar beneden terwijl je lanzaam in een halve cirkel wandelt (teken de cirkel vooraf op de grond).

Gebruik kleurfilters, bijvoorbeeld als je enkel wit licht hebt. Hou een filter van de ene kleur voor de lens bij het eerste deel van de foto, schakel dan over op de andere filter. Je kan ook kleur achteraf bijvoegen met Photoshop. Je kan ook twee foto's over elkaar plaatsen, een perfekte overlapping is niet nodig als de achtergrond volledig duister is.

Instellingen op het fototoestel

Gebruik de M-modus: dit zorgt ervoor dat het fototoestel de instellingen zelf niet kan aanpassen.

Gebruik een kleine opening, zodat er minder licht de sensor raakt. Daardoor kan je een langere sluitertijd gebruiken, maar een belangrijk voordeel is ook dat de scherptediepte groter wordt.

Gebruik de laagste ISO-waarde van het toestel, hier ook om een zo lang mogelijke sluitertijd te bekomen, maar ook om de ruis te verminderen. Alle digitale fototoestellen produceren ruis bij lange sluitertijden (lekstromen van de individuele fotodiodes). De betere toestellen kunnen een tweede foto nemen (met gesloten sluiter) en trekken die tweede foto (die enkel ruis bevat) af van de eerste foto. Dit betekent wel dat het fototoestel niet gebruikt kan worden gedurende de volledige tijd van de tweede foto. Controleer of deze funktie echt nodig is, want is sommige gevallen is de ruisvermindering nauwelijks merkbaar.

De scherpstelling gebeurt manueel (tel het aantal meters tussen het fototoestel en het onderwerp), maar je kan ook automatisch scherpstellen (het onderwerp belichten met een taslamp) en dan overschakelen op manueel zonder de afstand te veranderen. Een aantal fototoestellen zullen geen foto's nemen als ze niet kunnen scherpstellen (in auto-focus modus).

Met een kleine opening van f/8 à f/16 heb je een scherptediepte van meerdere meters (bij een scherpstelling op 3 meters). Hoe kleiner de sensor, hoe groter de scherptediepte bij een bepaalde opening.

Zet de beeldstabilisator af. Op een degelijk statief is het toestel voldoende stabiel. De stabilisator veroorzaakt een eigen trilling, waardoor het uiteindelijk beeld minder scherp zal zijn. Beeldstabilisatoren zijn niet geschikt voor sluitertijden van meer dan een seconde.

Het kan nuttig zijn van de hyperfocale afstand te kennen bij een bepaalde opening: stel scherp op oneindig, en noteer het begin van de scherpe zone (begin van de scherptediepte). Door nu scherp te stellen op deze afstand is het beeld scherp vanaf een kortere afstand (bijvoorbeeld 2/3 van de scherpstelafstand) tot oneindig. Deze test kan overdag gebeuren als dezelfde opening gebruikt wordt.

De sluitertijd hangt af van hetgeen je wilt fotograferen, en je zal misschien de opening moeten bijstellen om de juiste belichting te bekomen. Indien een eenvoudige scène genoeg heeft aan 5 seconden (brandende staalwol), is er meer dan 30 seconden nodig om een deftige vlammenmuur te bouwen. Verdeel de zone in etappes van 5 seconden en vraag aan een assistent om de seconden te tellen: dit is de enige manier om een evenwichtige vlammenmuur te bekomen.

Bewerkingen op de computer

Wat je fotografeert bestaat niet in de werkelijkheid: laat je dus maar gerust gaan!

Indien je enkel over een witte lichtbron beschikt, kan je een deel van de lichtsporen kleuren. Overdrijf niet met het aantal kleuren, of laat ze geleidelijk in elkaar overgaan.

Je kan het contrast verhogen om de donkere delen zwart te maken. Vaak bevatten deze delen enkel ruis of schaduwen van de assistenten.

Bij film kon men de pellicule meerdere keren belichten zonder de film vooruit te laten gaan (tenminste op de betere fototoestellen). Dit is ook mogelijk met digitale foto's: de verschillende beeldverwerkingsprogramma's hebben wiskundige formules om meerdere beelden samen te voegen. Bij optellen bekom je een helderder beeld (zoals bij film), met een gemiddelde bekom je een beeld met minder contrast en met het kwadratisch gemiddelde bekom je een normaal gecontrasteerd beeld.

Je kan duizenden voorbeelden van lightpainting vinden op het internet. Wat de foto's interessant maakt is een achtergrond gebruiken om de foto te kummen "plaatsen".

Paginas die volgens Google je zouden kunnen interesseren