|
Acutance
- Beeldscherpte van een afbeelding (in het bijzonder lokaal contrast). Betere lenzen produceren een hoger contrast (scherpere overgangen tussen donkere en heldere beeldelementen).
Het is mogelijk het lokaal contrast van een afbeelding te verhogen: vroeger werd daarvoor het procédé •» "onscherp masker" gebruikt, tergenwoordig bestaat er een gelijkaardige handeling in Photoshop. Het procédé "onscherp masker" in Photoshop lijkt een scherper beeld te geven door de overgangen duidelijker af te tekenen, maar dit gaat ten kosten van de resolutie (de overgangen worden mathematisch gedifferenciëerd) en de accuraatheid (op de overgang worden kunstmatige niveaus gecrëerd). Deze handeling past men dus met mate toe, en liefst enkel op het helderheidskanaal om kleurruis te vermijden.
Additief kleurenmodel
- Bij dit model wordt het beeld helderder als er meer kleuren bijgevoegd worden. Bij een beeldbuis geldt hetzelfde procede: hoe meer kleurkanonnen opgengestuurd worden, hoe helderder het beeld. Vergelijk daarbij het subtractief kleurenmodel. •» Sensoren van fototoestellen gebruiken meestal het additief kleurenmodel. Een kleurenmodel dat onafhankelijk staat is het LAB kleurenmodel.
AE lock - AF lock (auto exposure lock, auto focus lock)
- Als je de sluiter half-ingedrukt houdt worden de camera-instellingen bevroren. In de meeste gevallen zal je scherpstellen op de ogen (sluiter half indrukken), en dan het beeld hercadreren, en de foto pas nemen als de compositie OK is. Beide instellingen zijn meestal aan elkaar gekoppeld, maar bij reflextoestellen is het mogelijk beide onafhankelijk van elkaar in te stellen. Bij sportevenementen moet je AE lock en AF lock uitschakelen, zodat het toestel blijft bijstellen zolang de ontspanderknop half-ingedrukt is. (Tracking servo bij Canon).
Afkortingen op de lens
- De afkortingen op de lens omvatten altijd een brandpuntafstand (één of twee getallen, gescheiden door een streepje) en een lichtgevoeligheid (/ gevolgd door één of twee getallen). Nadien kunnen er specifieke merk-gebonden kodes bijkomen. Bijvoorbeeld
•» Canon: EF 28-135 /3.5-5.6 IS USM of EF 24-105 /4 IS L USM en
•» Sigma: 50 /1.4 EX DG HSM
Afocale zoom
- De afocale zoom bestaat uit drie lenzen (zie •» zoom). Bij het wijzigen van de zoom verandert de focus niet (vandaar de naam afocaal). Vaak wordt ook de naam parfocale zoom gebruikt. Met een dergelijke zoom kan je de zoompositie veranderen zonder dat je de scherpstelling moet bijregelen. Lenzen met een (manuele) instelring zijn dan ook altijd uitgerust met een afocaal systeem. Een eenvoudig systeem is het varifocaal systeem.
Airy disc
- Bij kleine lensopeningen speelt de diffractie een rol en is het beeld minder scherp dan bij gemiddelde openingen. Dit effekt is zichtbaar bij openingen van bijvoorbeeld /22. Een puntbron produceert een diffraktiepatroon veroorzaakt door het golf-karakter van het licht. Het zichtbare diffraktiepatroon noemt men de schijf van Airy. Zie ook •» diffractie.
Aliasing
- Fout die ontstaat door de regelmatige vorm van de pixels die interfereren met het onderwerp. Schuine lijnen (bijvoorbeeld treden van een trap) zien er rafelig uit als het beeld uitvergroot wordt (men zou het kunnen vergelijken met een digitalisatiefout bij een geluidsopname, waarbij het geluid ook rafelig genoemd wordt). Een andere naam voor dit fenomeen is "jaggies". Men kan het fenomeen verminderen door een anti-aliasing filter (of blurfilter) te gebruiken. Deze blurfilter maakt het beeld minder scherp waardoor het fenomeen minder zichtbaar wordt. Omdat een dergelijk optische filter het beeld algemeen onscherp maakt, hebben sommige fototoestellen een digitale blurfilter die enkel in werking treed als er interferenties in het beeld zichtbaar zijn.
Anastigmat
- Vroegere benaming van een kwaliteitslens: een lens dat geen •» astigmatisme (coma-vervorming en dergelijke) vertoonde.
Apochromatisch
- Doublet-lens (twee lenzen aan elkaar geplakt) die de kleurfouten zo sterk verminderen dat ze niet meer zichtbaar zijn in de praktijk. Met achromatische lenzen gebeurt de correctie op twee frekwenties, met apochromatische lenzen op drie.Meer info: •» apochromatische lenzen.
APS
- Filmformaat (Advanced Photo System) dat gelanceerd werd in 1996. Het werd snel verdrongen door de digitale fototoestellen. Meer informatie over de verschillende •» filmformaten.
Artefact
- Zichtbare fout in een afbeelding, meestal veroorzaakt door een te hoge compressie (JPEG). Men gebruikt daarom de complete benaming compressieartefact. Kleine blokjes zijn zichtbaar in het beeld. Deze fouten kan men vermijden een een lagere compressie te gebruiken (opslaan in JPEG FINE) of geen compressie toe te passen (TIFF of RAW).
Auteursrecht
- Eigendomsrecht van de beeldende kunstenaar op de door hem gemaakte werken. Bij het fotograferen van mensen komt dit recht in botsing met het portretrecht. Een tekst waar deze rechten wordt besproken is te vinden op de pagina over de •» overeenkomst tussen model en fotograaf.
Autochrome
- Eén van de eerste procédés voor het bekomen van kleurbeelden. Het gebruikt de klassieke zwart/wit positief ontwikkeling en een kleurenmozaiek. De foto wordt door transparantie bekeken. Door de mozaiek is de resolutie beperkt. Meer info: •» ontwikkeling en kleurfilm.
Autofocus
- Het systeem om scherp te stellen. Compact-toestellen kijken naar het beeld dat van de sensor afkomstig is om te bepalen of het beeld scherp is. (contrast detectie) Om scherp te stellen is het toestel afhankelijk van de verwerkingssnelheid van de beeldsensor. Als het beeld onscherp is kan het toestel echter niet weten of het onderwerp dichterbij of verder gelegen is, waardoor deze scherpstelmethode zeer traag is. Een totale beeldanalyse is echter mogelijk, waardoor de laatste generatie compact-toestellen in staat zijn gezichten te herkennen (face recognition) en op die plaats scherp te stellen.
Reflextoestellen gebruiken onafhankelijke sensoren voor het bepalen van de focus. Het toegepaste principe is totaal verschillend, gebaseerd op de stigmometer. Scherpstellen gebeurt vliegensvlug, maar face recognition en andere features zijn niet mogelijk.
Reflextoestellen kunnen scherpstellen op 2 manieren:
- single shot waarbij éénmalig wordt scherpgesteld bij het (half)-indrukken van de ontspanderknop, te gebruiken voor bijvoorbeeld portretfotografie (scherpstellen op de ogen en dan compositie bepalen) en
- tracking AF waarbij het toestel doorlopend scherpstelt op het onderwerp dat midden in het beeld staat, voor sportfotografie en macro-fotografie, als je geen statief gebruikt.
Alle fototoestellen hebben tegenwoordig een focusseersysteem, behalve apparaten met een fixfocus.
Autographic system
- Systeem om notities op het negatief te kunnen opnemen. Het systeem ontstond in 1914 en bestond uit een fototoestel met aangepaste rug (met een klepje). Om notities te nemen deed men het klepje open en bekraste men de achterkant van de film met een speciale pen. De achterkant van de film bestond uit speciaal carbon papier dat geschrapt kon worden. na het maken van de notitoe werd de achterkant in het licht gehouden. De notities pasten precies tussen twee foto's. Toen de emulsies gevoeliger werden werd dit systeem niet meer toegepast. Een voorbeeld van het •» autographic system is hier te vinden.
AVI
- Digitaal formaat voor het opnemen van beeld en geluid (Audio Video Interleaved). Bij dit formaat wordt er geen compressie toegepast en blijft de beeldkwaliteit optimaal. DV-recorders nemen op in AVI-formaat (een DVD cassette wordt digitaal opgenomen, niet analoog zoals een video-8 cassette). Via een firewire-aansluiting kunnen de opnames gemakkelijk op computer opgeslagen worden om later verwerkt te worden. Dit formaat wordt standaard ondersteund door Windows (geen extra drivers nodig).
|