Woordenlijst

Woordenlijst fotografie

Definitie: belichting
en aanverwante termen.


Belichting
Fotografische indruk op de gevoelige plaat of op de sensor. Hoe sterk een filmstrookje belicht wordt hangt af van 4 parameters:
  1. Het wordt ingesteld door de lensopening en
  2. de sluitertijd aan te passen
  3. rekening houdend met de sensorgevoeligheid (ingestelde ISO-waarde).
  4. De beschikbare lichthoeveelheid is de enige parameter die niet ingesteld kan worden (tenminste niet op het fototoestel).
Het instellen van lichtbronnen om het onderwerp correct te belichten heet in vaktermen uitlichten. De belichting regel je op het toestel zelf, de uitlichting is wat er buiten het fototoestel gebeurt.

Goede fototoestellen hebben een opening dat gaat van bijvoorbeeld ƒ/2.8 tot ƒ/22. Het regelbereik is dus ongeveer 100X, wat normaal onvoldoende om te kunnen fotograferen in alle lichtomstandigheden. Door ook te werken met de sluitertijd haalt het fototoestel een bereik van 5.000X. Met de gevoeligheidsinstelling kan men het bereik nog uitbreiden tot 25.000X; daarmee kan men fotograferen in nagenoeg alle omstandigheden. Hoe een fototoestel de •» lichtmeting uitvoert leest u hier in detail.

Belichtingscompensatie, belichtingscorrectie
Extra belichten van een foto zodat het onderwerp correct belicht is, bijvoorbeeld bij tegenlicht of foto's in het sneeuw. De correctie gebeurt manueel door de Exposure Value bij te stellen. Sommige fototoestellen detecteren zelf dat er tegenlicht is en passen automatisch de belichting aan.

Belichtingsmeter
Zie ook lichtmeter.
Apparaat om de lichtintensiteit te meten om zo het fototoestel in te stellen (bepalen van de correcte belichting). Het voordeel van een lichtmeter is dat het het opvallend licht (incident light) meet, het licht dat op het onderwerp valt. De meting in het fototoestel zelf kan enkel werken op basis van het gereflekteerd licht, en deze meting is altijd minder nauwkeurig.

Belichtingslatitude of belichtingsspeelruimte
Dit is het bereik dat een sensor kan digitaliseren. Bij audio zou men het hebben over de dynamiek. Iedere sensor heeft een beperkte dynamiek. Bij normale foto's is dit effekt niet echt merkbaar, maar als er veel contrast is (zon en scherpe schaduwen) zullen de heldere delen van het beeld overbelicht (overstuurd) zijn terwijl donkere delen in de ruis zitten. Omdat een overbelicht beeld niet meer gecorrigeerd kan worden zal een fototoestel altijd proberen dergelijke fenomenen te vermijden. Daardoor kunnen bepaalde foto's onderbelicht zijn, gewoon omdat het fototoestel "safe" heeft gespeeld. Een onderbelichte foto kan normaal nog bijgewerkt worden zodat de foto wel bruikbaar is.

Naast de beperkte belichtingslatitude heeft een digitale sensor ook een lineaire gevoeligheidscurve waardoor oversturing gemakkelijker kan optreden. Film heeft een logarithmische gevoeligheidscurve dat meer natuurlijk is (onze oren en ogen hebben een logaritmische gevoeligheidscurve). Waarom film een •» logaritmische gevoeligheidscurve heeft kan u hier lezen.

Randbelichting
De belichting van een foto wordt ingesteld voor het centrale deel van het beeld. Ten gevolge van vignetering (lichtafval) zijn de randen minder belicht dan het centrale deel. In de meeste gevallen valt het verschil in belichting niet op. De randbelichting wordt uitgedrukt in stops of in een percentage: -1 stop of 50%.