Woordenlijst

Woordenlijst fotografie

Definities belichting naar een nieuwe pagina verplaatst
(belichtingsmeter, belichtingscompensatie, belichtingslatitude,...)


Blackout tijd
Tijd dat een fototoestel geen beeld in de zoeker geeft na het nemen van een foto. Bij een reflex is dat bijna uitsluitend de tijd om de spiegel opnieuw in zijn rustpositie te laten omklappen (ongeveer een tiende van een seconde), bij een compact is de tijd heel variabel en hangt af van de interne werking van het fototoestel: een black-out tijd van meerdere seconden is niet ongewoon, en dit kan oplopen tot tientallen seconden als er meerdere foto's snel achter elkaar zijn genomen.

Blooming
Het uitlekken van de lading van een overbelichte deel van het beeld naar nabijgelegen pixels. Fototoestellen met een CCD sensor hebben daar meer last van, want de lading moet van pixel naar pixel getransporteerd worden tot de zijkant van de chip, waar iedere waarde individueel uitgelezen wordt. Ook toestellen die met een electronische sluiter werken zijn gevoelig voor het blooming effekt, want de sterke belichting overstuurt de electronika, zelfs wanner de pixel niet aktief is. Het blooming effekt is een electronische fout, terwijl overstraling (flares) een optische fout is.

Blur disc
Het beeld is maar scherp op één vlak. Dan is een lichtpunt ook een lichtpunt op de film (of de sensor). Als de scherpstelling minder optimaal is, dan is het beeld geen punt meer, maar een vlek, de •» verstrooingscirkel (dit woord heeft echter twee betekenissen die door elkaar gebruikt worden). Lichtpunten zien er dus uit als "vlekken" op de uiteindelijke foto. Dit is eveneens van toepassing op onderwerpen die buiten de focusvlak zitten, bijvoorbeeld de straatverlichting op grote afstand, terwijl er op 1 meter scherpgesteld werd. De blur disc is meestal cirkelvormig, maar kan ook andere, natuurlijke en minder natuurlijke vormen aannemen (zie tekst over •» vignetering). Hoe minder optimaal de scherpstelling voor het betreffend onderwerp was, hoe groter de vlekken.

Blur filter (low pass filter, anti aliasing filter)
Optische filter die geplaatst wordt voor de sensor om het beeld te verzachten en storende effekten (zoals kleurfranjes of moiré) te vermijden. Bij goedkope digitale fototoestellen is de blurfilter gewoon een soort dun matglas, bij duurdere fototoestellen bestaat de blurfilter uit birefringent materiaal (een stof die dubbel beeld geeft). Een laagje verschuift het dubbelbeeld 1 pixel vertikaal, de tweede laag verschuift het beeld 1 pixel horizontaal. Zo worden de kleinste beeldelementen (die de sensor toch niet kan opnemen) uitgevlakt, zonder dat het beeld daardoor onscherp wordt (wat met een klassieke blurfilter met gauss-curve wel gebeurt). Meer informatie over de •» optische low pass filter.

Bokeh
Mooi effekt dat bekomen wordt als het onderwerp scherp is en de achtergrond (en/of) voorplan onscherp zijn. Een geslaagde bokeh wordt bekomen door kwaliteitslenzen die een diafragma met minstens 5 lamellen (zodat de bekomen opening nagenoeg rond is). Maar ook de eigenschappen van de lens spelen een rol. Lees verder over de •» bokeh.

Book, bookfoto
Zie book (modellensite).

Bounce flash
Zie Indirect flitsen.

Boxcamera
Het eerste fototoestel voor het grote publiek. Er werd gebruik gemaakt van film op rol (geen platen meer). De toestellen hadden een vaste sluitertijd (1/50 ongeveer) en een enkelvoudige lens (meniscus lens. De afmeting van de film kwam overeen met wat nu het middenformaat heet. Foto's werden vaak door contactafdruk gemaakt, dus zonder vergroter. Na de tweede wereldoorlog kwamen de kleinbeeldtoestellen op de markt. Die hadden het voordeel dat de film in een cartridge opgerold werd.

BMP bitmap
Bestandsformaat voor afbeeldingen dat intern door windows gebruikt wordt. Een achtergrond moest vroeger in het BMP formaat opgeslagen worden. Het is een soort "raw" formaat, maar dan één dat specifiek door de oudere versies van Windows gebruikt wordt. Veel ingebouwde grafische windows routines gebruiken standaard het BMP formaat, en vaak wordt een extern formaat intern omgezet in BMP voor verdere verwerking (kleine utilities die niet over eigen formaat beschikken). Grote softwarepaketten hebben hun eigen formaten (Photoshop PSD bijvoorbeeld).

Bracketing
Automatisch meerdere foto's achter elkaar nemen met verschillende belichtingswaarden (bijvoorbeeld een halve stop onderbelicht, normaal belicht, een halve stop overbelicht). Meestal kan men de mate van onder- en overbelichting instellen (1/3 stop of meer). Wordt gebruikt bij het fotograferen van onderwerpen met een hoog contrast waarbij het moeilijk is te schatten wat de beste belichting moet zijn. Bracketing wordt ook toegepast bij HDRI, waarbij de opening constant wordt gehouden (zelfde scherptediepte) want de foto's zullen bewerkt worden tot één foto met verhoogd contrast.

Bracketing wordt manueel ingesteld (de fotograaf neemt zelf een aantal foto's van hetzelfde onderwerp achter elkaar) maar de betere fototoestellen kunnen een automatische bracketing uitvoeren. In plaats van de belichtingswaarde kan ook de witbalans of de focus gewijzigd worden. Zie ook focus bracketing.

Brandpuntsafstand
De •» brandpuntsafstand is een optische eigenschap van de lens. Hoe groter de brandpuntsafstand, hoe meer "tele" de lens is. Prime lenzen hebben een vaste brandpuntsafstand, terwijl zoomlenzen een instelbare brandpuntsafstand hebben; je kan inzoomen om meer details te hebben en uitzoomen om een algemeen beeld te bekomen.

Om lenzen te kunnen vergelijken gebruikt men soms equivalente waarden (vooral bij de betere compact-toestellen). De gebruikte referentie is de 135-film (24 * 36 mm oppervlakte) die bij reflextoestellen gebruikt wordt. De sensor van compact-toestellen is echter veel kleiner, waardoor een optische brandpuntsafstand van bijvoorbeeld 20mm overeenkomt met een schijnbare brandpuntsafstand van 80mm zou je een reflex gebruikt hebben. Men heeft dus een uitsnede (schijnbare beeldvergroting) van 4X. Op het toestel zal er bijvooebeeld staan 10-30mm (equivalent 40-120mm). In plaats van te werken met "equivalente brandpuntsafstanden" zou men voor de duidelijkheid moeten spreken over de openingshoek van de lens. Maar het begrip brandpuntsafstand (en vooral wat het effektief betekent als je een foto neemt) is zodanig ingeburgerd dat deze benaming blijft bestaan.

Maar ook sommige reflextoestellen gebruiken kleinere sensoren (men heeft het over cropsensoren) dan de filmoppervlakte dat als referentie gebruikt wordt. Nikon gebruikt een sensor dat 1.5X kleiner is, Canon gebruikt zowel 1.3X als 1.6X sensoren (en zelfs full size sensoren) en Olympus gebruikt 2X sensoren. Een Olympus lens van 120mm geeft eenzelfde beeld als een 240mm-lens op een klassieke filmreflex.

Meer informatie over het effekt van een •» kleinere sensor is hier te lezen.

Breedhoeklenzen
Breedhoeklenzen zijn in staat een groot gebied te fotograferen en zijn aangewezen als je een groepsfoto binnenshuis moet nemen. Een ander pluspunt is dat je een relatief lage sluitersnelheid kan gebruiken zonder last te hebben van bewegingsonscherpte. Men spreekt van een breedhoeklens als de openingshoek groter is dan 45°. Een normaallens heeft een openingshoek van ongeveer 45°

Breking
Zie refractie.

Buffer
Geheugen in het fototoestel voor de tijdelijke opslag van foto's. Moderne spiegelreflextoestellen kunnen meerdere foto's per seconde nemen, en dit veroorzaakt een datastroom die veel hoger is dan wat de geheugenkaart kan verwerken. De foto's worden daarom tijdelijk in een buffer opgeslagen en aan de kaartsnelheid weggeschreven. Spiegelreflextoestellen in de hogere prijsklasse hebben een buffer voor meer dan 30 foto's. Tijdens het fotograferen wordt de buffer geleegd aan de kaartsnelheid, waardoor je vaak meer foto's kan nemen dan de buffercapaciteit.

De buffer is niet vergelijkbaar met het ingebouwd geheugen van sommige fototoestellen. De buffer wordt gewist bij stroomonderbreking, terwijl het ingebouwd geheugen een extra geheugenkaart in het fototoestel is.

Burst modus
Instelling van het fototoestel waarbij de foto's zo snel mogelijk achter elkaar genomen kunnen worden. De snelheid varieert naargelang het type toestel en kan gaan tot meer dan 5 foto's per seconde. Bij compact fototoestellen worden de beeldinstellingen bepaald voor het nemen van de eerste foto; deze beeldinstellingen worden gebruikt voor alle opeenvolgende foto's in de reeks. Reflextoestellen passen de beeldinstellingen aan tussen twee foto's (scherpstelling en belichting).