|
Kader
- Toegepaste beelduitsnede. Vaak wordt hier de engelstalige benaming gebruikt.
- Liggend kader: landscape
- Staand kader: portrait
Kanaal
- Een afbeelding kan uit verschillende kanalen bestaan, bijvoorbeeld de drie primaire kleuren bij een JPEG afbeelding (rood, groen en blauw). Een printopdracht zet deze drie kanalen om in 4 kanalen: cyan, magenta, geel en zwart. Een zwart-wit afbeelding heeft maar één kanaal. Vaak zal je ook de engelstalige benaming terugvinden: channel.
En speciaal kanaal is het zogenaamde alfa kanaal dat informatie bevat over de transparantie van de afbeelding. In fotobewerkingsprogrammas kunnen delen van afbeeldingen min of meer transparant gemaakt worden.
Een laag is geen kanaal, maar in fotobewerkingsprogramma's kunnen kanalen gebruikt worden zoals lagen (de effekten kunnen dan toegepast worden op de kanaalkleuren).
Kelvin, kleurtemperatuur
- Ieder lichtbron heeft een bepaalde kleurtemperatuur. Hoe lager deze waarde, hoe geler het licht (gloeilamp), hoe hoger deze waarde, hoe witter (en zelfs blauwer) het licht (xenon-lampen). Enkele waarden:
- 3000K Gloeilamp en TL lamp kleurtemperatuur type "/830" (warmwit), opgelet, TL-lampen hebben geen mooi linerair verloop, bepaalde tinten zijn niet aanwezig
- 4100K Moderne flitslicht (een oude flitslicht heeft een kleurtemperatuur van ongeveer 5500K)
- 6500K Zonlicht rond de middag en TL lamp kleurtemperatuur type "/865" (daglicht)
- 7500K Betrokken of in de schaduw (in de schaduw wordt het onderwerp belicht door de blauwe hemel (hoge K-waarde)
Fototoestellen voeren automatisch een witbalans uit zodat de foto de juiste kleurtint heeft.
Meer informatie op •» kleurtemperatuur.
- Key
- Zie hoofdlicht (academische lichtopstelling)
- Kicker
- Zie haarlicht, lichtbron dat gebruikt wordt om het onderwerp te doen opvallen ten opzichte van de achtergrond door een lichte silhouet te creëren.
Kleinbeeld
- Film of fototoestel die 35mm film gebruikt en 24×36mm negatieven produceert. Het filmtransport tussen twee afbeeldingen bedraagt 38mm (8-perf.). Dit formaat werd voor het eerst gebruikt in 1912; de hoogte van de film komt overeen met 35mm film, maar de foto's worden in langsrichting geplaatst (er bestond ook een halfbeeldformaat met de foto's in dwarsrichting zoals bij cinemafilm). Het aantal foto's op een rol was variabel en was enkel afhankelijk van hoeveel film er op de cameraspoel gewonden kon worden. het plaatsen van de film moest in het duister gebeuren. Pas in 1934 gebruikte men een cartridge voor het oprollen van de film: de opgang van het 135-formaat kon nu echt beginnen. Meer uitleg over de verschillende •» amateur formaten.
Het formaat werd zo populair dat het nog steeds als referentie dient bij digitale fototoestellen: "full size" fototoestellen gebruiken een sensor die 24×36mm groot is.
Kleurenmodel
- Om de werkelijkheid vast te leggen en weer te geven is men verplicht een systeem te gebruiken waarbij de helderheid en kleur van ieder pixel wordt vastgelegd. Twee modellen gebruiken eigenschappen uit de fysica om alle kleuren te kunnen weergeven door middel van een beperkt aantal variabelen: het additief en het subtractief kleurmodel. Bij deze twee modellen gebruikt men drie primaire kleuren en maakt men de andere kleuren door deze drie kleuren te mengen. Het LAB kleurmodel gebruikt de beperkingen van onze ogen (het beperkt scheidend vermogen voor kleuren) om de werkelijkheid weer te geven met 3 kanalen. Meer informatie over •» kleurmodellen is hier te vinden.
Kleurruimte
- Het RGB kleurenmodel (additief kleurenmodel) wordt het vaakst toegepast, maar één RGB model is het andere niet. Voor de omzetting gebruikt met basiskleuren (rood, groen en blauw), maar deze verschillen in tint naargelang de kleurruimte.
s-RGB (standard of system RGB) wordt het meest toegepast: fototoestellen gebruiken standaard deze kleurruimte, en ook computers gaan ervan uit dat de foto opgenomen is met deze referentie. a-RGB (Adobe) is in staat fellere kleuren weer te geven. De betere fototoestellen kunnen de foto opnemen in a-RGB en sommige fotobewerkingsprogramma's detecteren automatisch dat de foto opgenomen is volgens deze norm (aan de hand van de meta-data) en passen de weergave aan. Als het programma niet kan detecteren dat de foto in a-RGB opgenomen is geweest, dan ziet de foto er flets uit. Meer informatie over •» kleurruimtes.
- Kleurschifting
- Zie dispersie.
Kleurspectrum
- Het kleurenspectrum dat mensen zien gaat van 400nm (violet) tot 700nm (rood). Onze ogen zijn het gevoeligst voor groen licht (gevoeligheidspiek bij 550nm). Andere dieren zijn gevoelig voor kortere lichtstralen (ultra-violet) en digitale fototoestellen zijn ook gevoelig voor infra-rood. Het spectrum van de zon en van gloeilampen is continu: alle kleuren zijn aanwezig, maar het is ook mogelijk "wit" te zien met een gebrekkig spectrum (metamerisme). TL lampen en witte leds vertonen een gebrekkig spectrum.
Kleurweergave index (color rendering index, CRI)
- Mate waarin een lichtbron een volwaardig spectrum kan genereren. De kleurweergave index is niet vergelijkbaar met de kleurtemperatuur: de index geeft weer hoe goed het spectrum is. Zonlicht en een gloeilamp hebben een kleurspectrumindex van 100% (alle kleuren van de regenboog zijn aanwezig). Een industriëele TL lamp heeft een CRI van 60 à 80%.
Een hoge kleurweergave index is noodzakelijk om een goede weergave van geprinte documenten te bekomen en is dus een must in de grafische wereld (drukkerij, pre-press, fotostudio, en dergelijke meer. Meer informatie is te vinden op •» kleurweergave-index en metamerisme.
- Kleurzweem
- Zie zweem
Korrel
- De gevoelige laag van een film bestaat uit kleine korrels. Iedere korrel kan je zien als één sensor (pixel). Gevoelige film heeft grotere korrels (die meer licht opvangen). De korrelstruktuur van film wordt als minder storend aangezien dan de (regelmatige) pixelstruktuur van een digitale sensor.
|