Woordenlijst

Woordenlijst fotografie


LAB kleurmodel
Het LAB kleurmodel is niet verbonden aan een natuurkundig fenomeen (additieve of subtractieve kleurmenging) maar probeert zoveel mogelijk kleuren weer te geven. Er wordt gebruik gemaakt van een helderheidskanaal en twee chroma-kanalen. Het LAB-kleurmodel is in staat veel verschillende kleuren weer te geven (heeft een hoge gamut) en is goed comprimeerbaar, daarom wordt het gebruikt bij televisie-uitzendingen (het befaamde KBOS-signaal van de electronicus).

Landscape
Beelduitsnede waarbij het beeld breder dan zijn hoogte is. Landscape is de engelse benaming van landschap, maar de correcte nederlandstalige benaming is liggend kader. De omgekeerde instelling is portret.

Latent beeld
Bij filmfotografie, het beeld dat op de film opgenomen is, maar nog niet ontwikkeld is. Het latent beeld is weinig stabiel en heeft de neiging zwakker te worden na verloop van tijd. Baarom moet een belichte film zo spoedig mogelijk ontwikkeld worden. Bij digitale fotografie kan men niet echt spreken van latent beeld, omdat de lading direkt na het nemen van de foto afgevoerd en verwerkt wordt.

Lens
Optisch element van een fototoestel. De functie van een lens is de lichtstralen te richten op de beeldsensor. Lenzen worden gekenmerkt door een aantal parameters:
  • Lichtgevoeligheid, vaak uitgedrukt in f-waarde. Hoe lager de f-waarde, hoe lichtgevoeliger de lens. Een f-waarde van 2.8 is lichtgevoelig, een lens met een f-waarde van 5.6 is weinig lichtgevoelig.
  • Brandpuntsafstand uitgedrukt in mm. Vaak wordt de brandpuntsafstand omgerekend naar 'reflex equivalent' om het bereik te kunnen vergelijken. Een reflex met een brandpuntsafstand van 50mm heeft een normaal bereik. Breedhoeklenzen hebben een kleinere brandpuntstafstand (bijvoorbeeld 24mm) en telelenzen een grotere (bijvoorbeeld 200mm). Bij compact fototoestellen met kleinere sensoren gaat deze vergelijking niet meer op: een lens van 50mm is een sterek telelens als het een compact fototoestel betreft (komt bijvoorbeeld overeen met 250mm op een reflex). Indien er twee waarden vermeld staan (70-200), dan betreft het een zoomlens.
  • Extra funties zoals beeldstabilisatie, gebruik van speciaal glas, gebruik van een speciale scherpstelmotor, en dergelijke.

Lenskap, lensdop
Afdekking van de voorkant van de lens om die te beschermen als het fototoestel niet gebruikt wordt. Andere benaming is lensdop. Niet te verwarren met zonnekap.

Lichtafval
Zie vignetering.

Lichtmeter
Apparaat voor het juist instellen van de belichting bij een fotograferen. Hoewel alle fototoestellen uitgerust zijn met een ingebouwde belichtingsmeter, is de meting uitgevoerd door een externe meter nauwkeuriger, en is de enige methode die in een studio kan gebruikt worden.
Een lichtmeter kan op 2 manieren gebruikt worden:
  1. Meting van het gereflekteerd licht, waardoor de externe lichtmeter werkt zoals de ingebouwde lichtmeter in average-modus (horizontale openingshoek ongeveer 40°, wat ongeveer overeenkomt met een normaallens. De lichtmeting wordt uitgevoerd op de plaats van de camera, met de sensor naar het onderwerp gericht. Deze meetmethode wordt weinig gebruikt, aangezien het geen pluspunten heeft ten opzichte van de ingebouwde lichtmeter, die meestal meer mogelijkheden biedt. Men kan ook een aantal spot-metingen uitvoeren, bijvoorbeeld in de studio waar er verschillende lichtbronnen gebruikt worden om details van het onderwerp te beklemtonen.
  2. Meting van het opvallend licht (incident light): de meter wordt op de plaats van het onderwerp (of juist ervoor) opgesteld en ontvangt het omgevingslicht onder een wijde hoek (de lichtmeter is uitgerust met een invercone of doorzichtige bol). Bij deze laatste methode kan men een juistere lichtmeting bekomen, onhafhankelijk van de helderheid (reflectance) van het onderwerp en achtergrond.
Een lichtmeting van het opvallend licht zonder een externe lichtmeter te moeten gebruiken kan gedaan worden door een spotmeting (zie lichtmeting) te doen van een grijze testkaart (18% helderheid) dat op de plaats van het onderwerp wordt gehouden. Dit is echter materie voor de professionele fotograaf (technische fotografie waarbij de belichting exact ingesteld moet worden). Weinig mensen lopen met een 18% testkaart of een belichtingsmeter rond, en in de meeste gevallen zijn dergelijke accessoires ook niet nodig.

In de praktijk stelt men de ISO waarde (gebruikte film of sensorgevoeligheid) en de gewenste sluitertijd in op de lichtmeter. Men voert dan een lichtmeting uit (lichtmeter vòòr het onderwerp houden zodat het invallend licht gemeten wordt) en de lichtmeter geeft aan welke opening men moet gebruiken. Men kan ook de gewenste opening instellen en de lichtmeter geeft dan de te gebruiken sluitertijd aan.

Sommige lichtmeters kunnen ook gebruikt worden als flitsmeter. Meer informatie over het gebruik van een •» lichtmeter.

Lichtmeting
De lichtmeting is het meten van hoe helder het beeld is, om de juiste belichting te bepalen. Niet ieder element van het beeld is even belangrijk, daarom zijn heeft ieder fototoestel minstens drie instellingen:
  • spotmeting. Bij deze lichtmeting wordt enkel het middelste deel van het beeld gebruikt. Deze methode wordt gebruikt als je de exacte belichting van een deel van het beeld nodig hebt (bijvoorbeeld de huid van het gezicht). Het nadeel is dat het toestel absoluut geen rekening houdt met de rest van het beeld. Het is gemakkelijk om een foute belichting te bekomen met deze methode. Een foute meting kan al gebeuren omdat het model zich wat verplaatst heeft.
  • Partial. Deze lichtmethode is vergelijkbaar met de spotmeting, maar het deel dat gebruikt wordt voor de lichtmeting is groter.
  • Center weighted. Hier wordt het middelste deel van het beeld gebruikt om de helderheid te bepalen, maar het toestel kijkt ook naar het algemeen beeld om over- of onderbelichting te voorkomen. Het middelste deel is hier groter, maximaal 20% van de oppervlakte. Deze methode geeft in het algemeen evenwichtige resultaten
  • Average. Er is geen middelste deel meer dat meer aandacht krijgt. Het toestel zal de belichting zo regelen dat het totale beeld zo helder mogelijk is, maar zonder dat er oversturing plaatsvindt. Deze methode kan je gebruiken om de ruis in een beeld te beperken, ruis is vooral aanwezig in de donkere delen van het beeld. Het toestel zal het beeld zo helder mogelijk belichten, waardoor de ruiscomponent minder zichtbaar zal zijn.
  • Matrix. Het toestel analyseert de beeldinhoud. Het kan tegenlicht en andere situaties detecteren en de belichting bijstellen. Deze methode is de “automatische modus” van je fototoestel.
De gebruikte lichtmeting wordt op het fototoestel aangegeven met icoontjes. Meer informatie over de •» belichting en lichtmeting is hier te vinden.

Bij deze methodes van lichtmeting wordt ervan uitgegaan dat het middelste deel van het beeld gebruikt wordt voor het bepalen van belichting (spot, partial of center weighted). Sommige toestellen kan je echter instellen dat het de focusplaats gebruikt als referentie. De automatische scherpstelling kan namelijk gebeuren op het dichtsbijzijnde onderwerp (zie autofocus), of via face recognition. Bij professionele toestellen kan je een onafhankelijke lichtmeting uitvoeren (los van de scherpstelling).

Lichtmeting kan ook uitgevoerd worden door middel van een externe belichtingsmeter.

Live preview
Het gedigitaliseerd beeld dat afkomstig is van de sensor wordt naar een zoeker of LCD scherm gestuurd. De meeste compact-fototoestellen zijn uitgerust met een dergelijke funktie. Het beeld wordt eveneens gebruikt voor de automatismen in het toestel: scherpstelling, lichtmeting en witbalans. Omdat de sensor maar een beperkt aantal beelden per seconden kan produceren worden bepaalde instellingen traag uitgevoerd. Tegenwoordig worden eveneens reflextoestellen uitgerust met een •» live preview.

Lokaal contrast verhogen
Dit is een handeling dat afkomstig is uit de donkere kamer, en is niet vergelijkbaar met het "onscherp masker" (Unsharp mask). Door tijdens de ontwikkeling het bad minder te schudden bekomt men een lokale vermindering van het contrast waardoor details beter uitkomen. Als het bad minder geschud wordt raken de reagenten uitgeput op sterk belichte plaatsen (ontstaan van zwart metallisch zilver), waardoor automatisch het contrast verminderd wordt. Dit wordt grafisch uitgelegd op de pagina over •» lokaal contrast.

Lomo (Lomo LC-A: Lomo Kompakt Automat)
Eenvoudig fototoestel gebouwd in Rusland tot 2006 (naderhand werd de produktie naar China verplaatst). Het toestel heeft een prime lens van 35mm f/2.8 en werkt met standaard kleinbeeld film (24×36mm). Sluitertijd en opening kunnen ingesteld worden. Scherpstelling is manueel en gebeurt met icoontjes. Deze toestellen worden gekenmerkt door hun relatieve kwaliteit en de produktieverplaatsing naar China heeft de kwaliteit nog verder naar beneden gebracht. De kenmerkende beeldkwaliteit gaf de naam aan een stroming in de fotografie: lomografie, die zich afzet tegen de steeds complexer wordende digitale fototoestellen. Zie ook Holga.

Anderzijds is Lomo een gerespecteerd bedrijf dat optische instrumenten maakt voor ziekenhuizen en wetenschappelijk onderzoek.

Low key
Fotografietechniek waarbij het grootste deel van de foto donker is. Low key is echter geen onderbelichte foto! De belangrijke delen van het beeld (bijvoorbeeld het gezicht) zijn correct belicht. Vaak zijn er in de donkere partijen nog details te zien. Het onderwerp moet liefst afgetekend zijn tegen de achtergrond: eventueel extreem zwak tegenlicht (reflektiescherm) gebruiken om de contouren (silhouet) zichtbaar te maken. Zie ook High Key, voorbeeld •» low key.