Met de lensopening en de sluitertijd bepaal je hoeveel licht de sensor ontvangt. Praktische waarden zijn 1/100 (een honderste van een seconde) tot 1/2000. Gebruik je een langere sluitertijd, dan loop je de kans dat het beeld onscherp is ("bewogen") omdat je het toestel onmogelijk perfekt stil kan houden. Het bewogen-effekt is meer zichtbaar bij tele-lenzen dan bij breedhoeklenzen, om te weten wanneer je last zal hebben van bewogen beelden moet je eerst weten wat de brandpuntafstand van de lens is.
Compact-toestellen werken met een electronische sluiter: de sensor wordt slechts aktief gemaakt gedurende een bepaalde tijd. Daardoor kan men zeer nauwkeurig de sluitertijd bepalen en zowel lange als extreem korte sluitertijden gebruiken (1/4000 is niet ongewoon). Het nadeel is dat de electronische sluiter ruis op de foto veroorzaakt (door de warmte-ontwikkeling op de sensor).
Reflextoestellen gebruiken doorgaans een electromechanische sluiter, twee gordijnen die van boven naar beneden bewegen en het licht tot de sensor doorlaten. Daardoor kan een reflex sneller foto's nemen (hoe ongelofelijk het ook klinkt), want er is minder warmte dat van de sensor afgevoerd moet worden.
Bij reflextoestellen moet je een speciale flitser gebruiken als je foto's wilt nemen met een hoge sluitertijd. (uitleg: •» werking sluiter bij een reflex). Sommige reflextoestellen zoals Nikon gebruiken een electronische sluiter bij hoge sluitertijden, waardoor het gebruik van speciale flitsers vermeden kan worden. Dit gaat echter ten koste van de ruis, maar bij omstandigheden waarbij er een snelle sluitertijd gebruikt moet worden (veel licht!) is de ruisbijdrage minimaal.