Woordenlijst

Woordenlijst fotografie

Woordenlijst sluiter


Sluiter (eng. shutter)
Mechanisch element dat kortstondig licht doorlaat tot aan de film of sensor. Men onderscheid twee soorten mechanische sluiters:
  • Centraalsluiters: deze zijn meestal in de optiek gemonteerd (tussen de lenzen) en soms fungeren ze eveneens als diafragma.
  • Focal Plane Shutter: sluiter gemonteerd juist voor de sensor en bestaande uit twee gordijnen die na elkaar bewegen. Het eerste gordijn gaat open en laat het licht door tot aan de film en sensor. Na een ingestelde tijd komt het tweede gordijn in beweging en bedekt opnieuw de sensor. Beide gordijnen bewegen aan dezelfde snelheid, daarom krijgt ieder deel van de sensor evenlang licht (zij het niet noodzakelijk op hetzelfde moment). Als de ingestelde sluitertijd korter is dan de bewegingssnelheid van de gordijnen, dan gaat het tweede gordijn al dicht als het eerste nog niet volledig open is. De flitssynchronisatietijd is de snelste sluitersnelheid dat gebruikt kan worden bij het flitsen.
Compact fototoestellen gebruiken altijd een electronische sluiter (de centraalsluiter dient hier enkel als beveiliging van de sensor als die niet ingeschakeld is). Ook bepaalde spiegelreflex toestellen gebruiken een electronische sluiter voor hoge sluitersnelheden. De beperkingen (flitssynchronisatie) vervalt bij electronische sluiters of centraalsluiters omdat het beeld in één keer belicht wordt. Een electronische sluiter heeft als nadeel dat die ruimte op de sensor inneemt, waardoor de gevoelige oppervlakte (de fotosite) kleiner wordt. De electronische sluiter veroorzaakt ook meer ruis in de uiteindelijke foto.

Meer informatie over •» sluiters is hier te vinden (indexpagina).

Sluitertijd
Met de lensopening en de sluitertijd bepaal je hoeveel licht de sensor ontvangt. Praktische waarden zijn 1/100 (een honderste van een seconde) tot 1/2000. Gebruik je een langere sluitertijd, dan loop je de kans dat het beeld onscherp is ("bewogen") omdat je het toestel onmogelijk perfekt stil kan houden. Het bewogen-effekt is meer zichtbaar bij tele-lenzen dan bij breedhoeklenzen, om te weten wanneer je last zal hebben van bewogen beelden moet je eerst weten wat de brandpuntafstand van de lens is.

Compact-toestellen werken met een electronische sluiter: de sensor wordt slechts aktief gemaakt gedurende een bepaalde tijd. Daardoor kan men zeer nauwkeurig de sluitertijd bepalen en zowel lange als extreem korte sluitertijden gebruiken (1/4000 is niet ongewoon). Het nadeel is dat de electronische sluiter ruis op de foto veroorzaakt (door de warmte-ontwikkeling op de sensor).

Reflextoestellen gebruiken doorgaans een electromechanische sluiter, twee gordijnen die van boven naar beneden bewegen en het licht tot de sensor doorlaten. Daardoor kan een reflex sneller foto's nemen (hoe ongelofelijk het ook klinkt), want er is minder warmte dat van de sensor afgevoerd moet worden.

Bij reflextoestellen moet je een speciale flitser gebruiken als je foto's wilt nemen met een hoge sluitertijd. (uitleg: •» werking sluiter bij een reflex). Sommige reflextoestellen zoals Nikon gebruiken een electronische sluiter bij hoge sluitertijden, waardoor het gebruik van speciale flitsers vermeden kan worden. Dit gaat echter ten koste van de ruis, maar bij omstandigheden waarbij er een snelle sluitertijd gebruikt moet worden (veel licht!) is de ruisbijdrage minimaal.

Sluitervertraging (shutter lag)
Vertraging tussen het indrukken van de ontspanderknop en het nemen van de foto. In dit tijdstip wordt de focus en de belichting ingesteld. Men kan de sluitervertraging beperken door de ontspanderknop half in te drukken (de scherpstelling wordt dan reeds uitgevoerd). Een reflex heeft een veel kleinere sluitervertraging dan een compact fototoestel.