|
Zelfontspander
- Funktie van een digitaal fototoestel waarbij de opname pas een 10-tal seconde uitgevoerd wordt na het indrukken van de ontspanderknop. Deze funktie kan natuurlijk gebruikt worden om een zelfportret te maken, maar ook om bewegingsonscherpte te vermijden bij lange sluitertijden (fotografie 's avonds, het toestel staat gemonteerd op een statief). Je aktiveert de zelfontspander en laat de camera los, waardoor kleine trillingen vermeden worden.
Opgelet: sommige toestellen (Sony!) maken hun instellingen op het ogenblik dat de ontspanderknop ingedrukt wordt, niet vòòr het nemen van de foto. In de praktijk wilt dit zeggen dat de camera zal scherpstellen op de muur op de achtergrond, en niet op het onderwerp (dat toen nog niet in beeld was).
Zoeker
- Deel van het fototoestel waarmee men de compositie kan bepalen. Compact-toestellen waren vroeger uitgerust met een range finder, nu gebruikt men een kleine LCD in het oculair. Moderne digitale fototoestellen zijn uitgerust met een groot LCD scherm zodat men de foto beter kan beoordelen. Je kan ook het toestel op afstand houden (in de lucht om boven een groep mensen te fotograferen, lager om kinderen te fotograferen). Het is ideaal als het LCD schermpje kan kantelen. Een dergelijk scherm is echter niet altijd goed zichtbaar in volle zonlicht. Een reflextoestel gebruikt traditiegetrouw een zuiver optisch systeem: wat je in de zoeker ziet is het exact beeld dat opgenomen zal worden. Het LCD scherm geeft enkel het opgenomen beeld weer, maar er bestaan tegenwoordig ook een paar reflextoestellen met live preview.
Zone system
- Techniek dat door Ansel Adams en Fred Archer ontwikkeld werd voor het bepalen van de belichting (in 1941). Hoewel het oorspronkelijk ontworpen werd voor medium formaat negatieven (die individueel ontwikkeld werden, in tegenstelling met rolflm waarbij alle beelden gezamelijk het ontwikkelbad ingaan), kan het ook nog gebruikt worden voor digitale fotografie. Om een correcte belichting te garanderen vòòr op de ontspanderknop gedrukt wordt, moet de foto "gevisualiseerd" worden: mentaal moet men zich een beeld vormen van hetgeen men zal bekomen. De verschillende helderheidsniveau's van een scene worden omgezet in een helderheidsniveau, gaande van 0 tot IX (nul tot 9).
- 0: zuiver zwart, niets te zien in dit deel van het beeld (geen verschil met onbelicht negatief)
- I: nagenoeg zwart, komt overeen met zwart op de afdruk
- II: zeer donker, kleine verschillen in helderheid kunnen waargenomen worden, maar geen detail
- III: donker, men kan details onderscheiden, zoals de struktuur van de bodem in de schaduw
- IV: redelijk donker: elementen in de schaduw zoals gebladerde, stenen,
- V: gemiddelde helderheid: hemel in het noorden, gebruinde huid, hout
- VI: redelijk helder: bleke huid, schaduwen in de sneeuw
- VII: helder: zeer bleke huid
- VIII: helderste beeldelementen, details zijn niet meer te zien
- IX: wit: lichtbronnen en heldere reflekties
In engelstalige literatuur wordt vaak zone 0 niet vermeld omdat deze in de praktijk ook niet gebruikt wordt bij een correcte belichting. Bij weinig contrastrijke beelden zitten de niveau's rond het midden, dus in zone III tot VII. Bij beelden met een hoog contrast zorgen de beperkingen van het systeem (flares of interne reflekties in het optisch systeem) ervoor dat de zwarte delen toch wat strooilicht ontvangen.
Bij negatieven worden de belangrijkste donkere elementen in beeld opgespoord en wordt de belichting ingesteld zodat deze elementen voldoende details vertonen (zone III). Bij digitale fotografie is het net het omgekeerde omdat een digitale sensor gemakkelijk overstuurd kan worden en deze beeldelementen niet meer gered kunnen worden. De heldere delen van het beeld worden opgespoord en correct belicht: “expose for highlights, process for shadows”: stel de belichting in voor de helderste delen die correct weergegeven moeten worden, en probeer achteraf de donkerste delen wat meer zichtbaar te maken ("tegenhouden" in Photoshop).
De niveau's van het Zone System komen redelijk goed overeen met het bereik (in EV) van een high end digitale fototoestel: een digitaal fototoestel heeft een bereik van 8 EV (opslag in JPEG) of 9 à 10 EV (opslag in RAW). Het •» Zone System wordt hier verder uitgelegd.
Zoom
- De meeste fototoestellen zijn tegenwoordig uitgerust met een optische zoom. Daardoor kan je gemakkelijker de compositie van je foto bepalen. Bij het zoomen wordt de brandpuntsafstand van de lens veranderd. Een zoomfaktor van 3 is meestal een minimum; met een lagere zoomfaktor moet je vaak de "voetenzoom" gebruiken. Een zoombereik van 3X kan met relatief eenvoudige middelen gerealiseerd worden en veroorzaakt maar een beperkt kwaliteitsverlies. Een hoog zoombereik gaat ten koste van de optische eigenschappen van de lens: minder lichtgevoelig, minder scherp, tragere scherpstelling.
Bij een digitale zoom wordt electronisch het middelste deel van het beeld uitgesneden, vergroot en opgeslagen. Daardoor verlies je aan beeldscherpte: een digitale zoom is een nutteloze instelling van je camera.
De varifocale zoom heeft een eenvoudigere constructie dan de parfocale zoom. Een lens zonder zoommogelijkheid wordt prime lens genoemd.
De zoom kan op 3 manieren ingesteld worden:
- met een draaibare zoomring: dit is de gemakkelijkste manier: soepel, nauwkeurig en snel
- met een pompsysteem (push pull zoom): bij bepaalde optieken (Canon EF 28-300mm /3.5-5.6L IS USM) kan je manueel de unit in- en uitschuiven, de ring dient om de zoompositie vast te zetten (een soort rem). Sommigen vinden een dergelijk systeem onhandig. Het pompsysteem is een echte stofzuiger. Hoewel de lens zelf nagenoeg luchtdicht is, wordt er stof via de camera binnengezogen bij het zoomen.
- electrisch met een knopbediening [T/W]. Dit is het slechtste systeem, dat echter gretig toegepast wordt in compact fototoestellen (ondanks het feit dat je een motor nodig hebt): kleinere constructie, minder lenzen, lens unit kan volledig in het toestel schuiven in rusttoestand.
De eerste zoomlens voor fototoestellen was de Zoomar 2.8 36-82mm in de jaren '60 (vroeger werden er al zoomlenzen toegepast bij televisiecamera's, maar de optische kwaliteit van de lenzen maakte ze niet geschikt voor fotografie). En zo weet je nu ook hoe de naam "zoom" ontstaan is. Overigens is de naam Zoomar gewoon de plaatsnaam waar de eerste fabriek gelegen was!
Zweem, kleurzweem
- Overheersende kleur in een foto, kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden door een slechte witbalans. Bij portretfotografie wordt soms gezocht om de foto een warme gloed te geven.
|